Carnaval gaat vooraf aan Veertigdagentijd

Carnaval is het feest dat voorafgaat aan de veertigdaagse vastentijd, de voorbereidingstijd op Pasen. Carnaval wordt met name gevierd in rooms-katholieke landen en streken. In Nederland vooral in Limburg en Brabant. Vermommingen, optochten, de overdracht van de sleutels van de steden door de burgemeesters aan Prins Carnaval en uitbundige feesten tekenen het driedaagse evenement. Dit jaar is carnaval van 7 tot en met 9 februari. De bisdomkantoren zijn die dagen gesloten.
 


De vastenavond
Aan de vooravond van de ingetogen veertigdaagse vastentijd wordt in veel rooms-katholieke landen en streken enkele dagen een uitbundig carnavalsfeest gevierd. Ook en vooral in Limburg, waar carnaval 'vastelaovend' of vastenavond genoemd wordt, al wordt hier van oorsprong slechts de laatste dag voor Aswoensdag mee bedoeld. De feestgangers vermommen zich, stellen een spotheerschappij in, en geven zich over aan uitbundige feestelijkheden.

Tijdstip
Het tijdstip van de viering van carnaval is afhankelijk van de wisselende datum waarop Pasen jaarlijks wordt gevierd. De zevende zondag voorafgaande aan Paaszondag is carnavalszondag. Het feest begint in Nederland doorgaans op de zaterdag daarvoor en eindigt op de letterlijke vastenavond, de dinsdagavond vóór Aswoensdag. Internationaal is er de nodige variatie in het tijdstip van de feestelijkheden. In België wordt het carnaval bijvoorbeeld met halfvasten gevierd. In het Zwitserse Bazel viert men carnaval in het weekend ná Aswoensdag en op Malta is de naoorlogse carnavalsviering zelfs volledig losgekoppeld van de traditionele dagen vóór aswoensdag: daar wordt het feest gevierd in de tweede week van mei.

Prins Carnaval
In de meeste Limburgse plaatsen treedt met carnaval een zogeheten Prins Carnaval aan. Deze neemt op carnavalszaterdag of -zondag voor drie dagen op rituele wijze de macht van de burgerlijke autoriteiten over in dorpen en steden. Hij viert vervolgens met zijn onderdanen, de carnavalsvierders, de tijdelijke vestiging van een narrenrijk. Er worden zittingen georganiseerd waar de burgerlijke autoriteiten op de korrel worden genomen en vaak wordt een carnavalslied tot volkslied van dat jaar uitgekozen. Het narrenrijk krijgt gestalte doordat carnavalsvierders zich verkleden in een feestelijke uitdossing en bezit nemen van de straat en de café’s. Alle feestlocaties worden rijk versierd met maskers, vlaggen, slingers en serpentines. Luidkeels worden plaatselijke carnavalsliedjes gezongen.

Optocht en rituele afsluiting
Op één van de drie carnavalsdagen trekt een optocht door de straten: de zegetocht van Prins Carnaval. Op carnavalsdinsdag wordt rond middernacht in veel plaatsen in een collectief afsluitingsritueel afscheid genomen van carnaval en de prins. Carnavalsmascottes en symbolen worden dan verbrand, begraven of verdronken. Op Aswoensdag wordt het dagelijkse leven weer opgepakt. Het kerkelijk ritueel van het 'halen van een askruisje' wordt door een aantal carnavallisten nog altijd in ere gehouden.

De elfde van de elfde
Het jaarlijks terugkerende carnaval wordt georganiseerd door de vele carnavalsverenigingen die Nederland rijk is. Aan de carnavalsdagen gaat het zogenoemde 'voorseizoen' vooraf, dat begint op 11 november, de ‘elfde van de elfde’. In het voorseizoen wordt de machtsovername van Prins Carnaval op de eerste carnavalsdag voorbereid. 

 
Carrus navalis of carne levare

De benaming ‘carnaval’ wordt in de zeventiende eeuw in Europa de vaste benaming voor de feesten voorafgaand aan de vasten. De oorsprong van het woord is onzeker. Eén van de verklaringen herleidt het woord op de carrus navalis, een scheepskar die in de vastenavondtijd door de straten werd getrokken, met aan boord vermomde vierders. In andere verklaringen wordt de relatie tussen dit uitbundige feest en de daarop volgende vasten gelegd. Het woord carnaval zou dan bijvoorbeeld komen van het Latijnse carne vale, dat ‘vlees vaarwel’ betekent. Meest waarschijnlijk is dat het woord is afgeleid van carne(m) levare, ofwel ‘verwijderen van vlees’. Deze uitleg wordt al in het jaar 965 in Italië vermeld.

Geschiedenis
Maskerades, de tijdelijke opheffing van de sociale ongelijkheid, het instellen van een korte periode van chaos en uit het volk aangestelde schertskoningen die enkele dagen heersen: dit soort feestrituelen komt al zeer vroeg in de overleverde geschiedenis voor. Het oude Babylon, Mesopotomië, Egypte, de Grieken, de Romeinen en de Germanen kenden allen feesten die overeenkomsten met carnaval vertoonden.

Historici zijn het niet eens over de oorsprong van het huidige carnavalsfeest. Sommige geschiedkundigen menen dat ons carnaval teruggaat op een heidens vruchtbaarheidsfeest, waarbij koning winter moest worden verdreven. Carnaval is in deze lezing een verdere ontwikkeling van onder meer de Griekse en Romeinse feesten ter ere van Dionysus en Bacchus. Tijdens dergelijke feesten was onbeperkt drinken de norm en werd degene die nooit zijn verstand wilde kwijtraken aangemerkt als onverstandig. Er was sprake van wilde optochten, wellustige zang en seksuele uitspattingen. In de middeleeuwen, zo beweren de historici van deze theorie, zou de Kerk dergelijke heidense vruchtbaarheidsfeesten hebben gekerstend en als ‘carnaval’ hebben opgenomen in de liturgische jaarkalender.
Een tweede theorie over de oorsprong van carnaval gaat er van uit dat het feest door de Kerk in de vroege Middeleeuwen is ingesteld als een overgangsritueel, teneinde de drempel naar de veertigdaagse vasten te verlagen. Carnaval diende, zo wordt beweerd, om afkeer van een leven met een puur aards karakter op te wekken, door de gewone mensen enkele dagen heel concreet te tonen én te laten ervaren wat het betekent als de duivel, heksen, narren, de anti-christ en het eigenzinnige in de mens regeren.

In de zestiende eeuw kwam in onze streken een eind aan de massale openbare carnavalsvieringen. De scheuring binnen het christendom als gevolg van de Reformatie leidde tot een religieuze tweedeling op het grondgebied van het huidige Nederland: boven de rivieren Maas en Rijn werd het protestantisme het dominante geloof; in de gebieden die tegenwoordig de provincies Limburg en Noord-Brabant beslaan bleef het katholieke geloof overheersend. In het protestantse deel van de Lage Landen verdween de openbare vastenavondviering volledig uit het straatbeeld. De vastenavond werd geduid als een Roomse dwaling en met verboden de kop in gedrukt. In het katholieke zuiden, dat door het protestantse noorden in een staat van onderworpenheid werd gehouden, werd ouderwetse, grootschalige en uitbundige viering van carnaval door de overheden ontmoedigd en bemoeilijkt.

Tijdens de emancipatie van het katholieke volksdeel in de negentiende eeuw werd in een aantal plaatsen in Limburg en Noord-Brabant de organisatie van uitbundige carnavalsvieringen hernomen. Tegenwoordig komen overal in Nederland carnavalsverenigingen voor die zich actief inzetten voor de organisatie van het feest. Uiteraard heeft de viering meer impact en uitstraling, naarmate een groter deel van de bevolking zich aan de ‘carnavalsgeest’ overgeeft. Limburg en Noord-Brabant, waar het openbare leven rond vastenavond vrijwel stil ligt, spannen in dat opzicht nog altijd de kroon.

Kerk en humor
Paus Johannes XXIII ging een keer op bezoek in het door kloosterzusters geleide ziekenhuis ‘In de Heilige Geest’ in Rome. De overste stelde zich aan de paus voor met de woorden: “Heilige Vader, ik ben de overste van de Heilige Geest.” Waarop de paus zei; “Dan heeft u geluk. Ik ben maar de plaatsvervanger van Christus.” Johannes XXIII stond bekend om zijn humor. Het was zijn manier om de harten van mensen te winnen. Ook Johannes Paulus II maakte regelmatig grappen en het schijnt dat ook Benedictus XVI heel geestig uit de hoek kan komen.

Kerk en humor gaan niet altijd hand in hand. Lachen en vrolijkheid zijn vaak in verband gebracht met lichtzinnigheid. Om die reden werd het vroeger voor monniken niet passend gevonden om te lachen. Het leven het geloof zijn immers ernstige zaken. En dat is natuurlijk ook zo. Maar het geloof kan mensen ook veel vreugde brengen. Christus preekt immers een Blijde Boodschap.

Nu staat de Bijbel niet bekend als een dolkomisch boek. Maar wie op zoek gaat, komt er wel degelijk humor in tegen. De zoon van Abraham en Sara heet Isaac. Letterlijk betekent dat: hij lacht. En in het boek Prediker wordt aangekondigd dat er voor alles een tijd is, ook om te lachen. En zou Jezus zo vaak gevraagd zijn om bij mensen te komen eten als hij een enorme zuurpruim was geweest? De joden staan juist wijd en zijd bekend om hun rake en diepzinnige humor. Voor wie het zien wil, zit de Bijbel vol met verfijnde humor en ironie.

Geloof en humor kunnen dus wel degelijk goed samen door één deur. Anders is dat met sarcasme of platvloerse grappen, waarmee mensen onderuit worden gehaald. Lachen om een grappige situatie of een woordspeling is iets heel anders dan iemand uitlachen, of nog erger: belachelijk maken.

De oude kerkvaders hadden gelijk dat ze humor ten koste van anderen afwezen. Maar humor als middel om te relativeren, kan juist heel heilzaam werken. Met name katholieken staan erom bekend om zichzelf te kunnen lachen. Het is niet voor niets dat carnaval zich juist in katholieke gebieden heeft kunnen ontwikkelen. Het is goed om van tijd tot tijd stoom af te blazen en de betrekkelijkheid van alles onder ogen te zien.

In dat verband past ook de volgende anekdote over Johannes XXIII. Ooit klaagde een pasgewijde bisschop tegenover deze paus dat het ambt zo zwaar op hem drukte, dat hij er niet van kon slapen. Daarop antwoordde de paus: “Dat had ik ook, totdat ik mijn engelbewaarder hoorde fluisteren: Johannes, neem jezelf toch niet zo ernstig.”

     
     
     
     
     
Susteren-Echt