Vicaris Goulmy ondervindt veel goodwill voor missiewerk

Brunssum telt acht parochies. Zes daarvan zijn verenigd in twee clusterverbanden. Met één eindverantwoordelijke: pastoor Vincent Goulmy (54). Zijn werkgebied omvat – nominaal – rond de 20.000 gelovigen. Sinds enkele maanden verdienen ook andere ‘gebieden’ zijn aandacht. Want hij kreeg er een ‘baan’ bij het bisdom Roermond bij: vicaris van de Dienst Missie en Missionaire Vorming. Dus werd ‘de wereld’ zijn werkgebied…  


In 1962 stond zijn wieg in Amsterdam. Een naam die Fransen goed uit kunnen spreken. Dat trof. Want zijn moeder was afkomstig van Reims. Als jonge vrouw van een jaar of twintig was zij naar ons land gekomen. Waar de liefde voor een Nederlander toesloeg. Deze basis gaf de kinderen Goulmy een dubbele nationaliteit én een internationale inslag. Daarom wekt het ook geen verwondering dat hij de studie aan het middelbaar volgde in het Belgisch Visé… Een tijd waarin de roeping tot het priesterschap ontluikt. Daarover zegt hij: “Ach, hoe zal iemand beschrijven hoe hij/zij weet dat iemand anders voor hem of haar de ware is. Op een bepaald moment weet je dat gewoon…”.

Geïnspireerde uitspraakDie wetenschap werd getoetst, onderzocht en verder gevormd door zijn studie en verblijf aan het Grootseminarie Rolduc. Een van de eerste contacten staat hem nog helder voor de geest: “Na mijn aanmelding volgde een gesprek met de bisschop over mijn verlangen om priester te worden. Op welke datum het was, dat weet ik niet meer, maar het was op Witte Donderdag. Niet lang daarvoor had ik besloten dat – nadat ik het en poos afgehouden had – ik toch priester wilde worden. Hij stelde een interessante vraag: ‘wat is dat: een priester?’ Ik hoefde er niet over na te denken maar gaf voor mijn doen een oneigenlijk antwoord: ‘mensen bij God brengen!’ Hoe ik er precies toe kwam, geen idee. Het was een geïnspireerde uitspraak voor mij, het waren woorden die mijzelf overstegen. Want ze gingen verder dan wat ik zelf te bieden had. Het maakt, denk ik, duidelijk dat roeping jezelf overstijgt: er word je meer gegeven dan je zelf zou kunnen. Een voorbeeld: van aanleg was ik nogal verlegen. Spreekbeurten op school, daar had ik om die reden een broertje aan dood. Maar vanaf de eerste preek die ik mocht houden, ben ik nooit zenuwachtig geweest. Het werd een kwestie van voorbereiden en gewoon doen!”

Missionaire opdracht
Nu hij bijna 26 jaar priester is, is zo zegt hij aan de opdracht die hij zichzelf gesteld had eigenlijk niets veranderd: “Mensen bij God brengen was en is mijn inspiratie gebleven. Al kun je het ook anders zeggen: God bij de mensen brengen. Het is natuurlijk zo dat God altijd bij de mensen aanwezig is, maar zij zijn zich daar vaak niet van bewust. Mensen ontvankelijk maken voor dat bewustzijn, dat is een priesterlijke opdracht. Dat is de kern van onze roeping, van onze zending, van ons missie. Iedere priester kent dus deze missionaire opdracht. Maar wat geldt voor de priester, geldt per definitie en heel fundamenteel voor iedere christen. Die zending is in het doopsel ingegeven. De ouders verklaren zich bewust te zijn van de taak om hun kind op te voeden in het geloof en te leren leven naar Gods geboden volgens de woorden van Christus: bemint God en de naasten. Dat houdt voor iedere gedoopte christen een missionaire opdracht in die haar uitwerking moet hebben op alle terreinen van het leven.”

Één met wereldwijde kerk
Zijn opvattingen over zending en missie, dichtbij en veraf, sluiten nauw aan bij de mening van de bisschop over de noodzaak van het missionaire pastoraat. Omdat 1 plus 1 nog altijd 2 is, lijkt het niet onlogisch dat onlangs de benoeming tot vicaris Missiezaken volgde. “Dat voelde niet echt vreemd aan omdat ik al lang actief ben in de missiewereld. Ik mag wel zeggen dat ik veel contacten heb in missielanden. Vooral in West Afrika. Sommige landen zoals Burkino Fasso heb ik al vaker bezocht. Meestal als gevolg van goede banden die vanuit mijn huidige parochies met missionarissen en bisschoppen daar worden onderhouden. Als zij hier op bezoek zijn, worden zij met open armen ontvangen. Omdat het belangrijk is om de lijnen naar de wereldkerk zichtbaar te houden; dat mensen bewust zijn dat de plaatselijke geloofsgemeenschap één geheel is met de kerk wereldwijd; dat we ondanks onze taal- en cultuurverschillen toch hetzelfde geloof hebben. Het doet een parochie, het doet mensen goed om dat te zien en te beleven. Waar dat besef doordringt en leeft, zijn mensen ook genereus. Door financiële middelen ter beschikking te stellen maar ook door zichzelf te geven in bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. Het is wel gebleken dat dat contact met ‘vreemden’ mensen in de parochie goed heeft gedaan.”

Plaatsvervangend trots
Maar ook bij het Missiesecretariaat en het Missieburo van het bisdom was Vincent Goulmy al langer geen onbekend gezicht meer. “Zo’n 15 jaar geleden ben ik gevraagd voor de projectencommissie van het Missieburo. Daarin is een aantal mensen gebundeld die een paar keer per jaar kritisch kijken naar ingediende projecten, die beoordelen en er hun goed- of afkeuring aan hechten. Het is een commissie die een structurele inbreng heeft en daarin het Missieburo goed bijstaat. Ik heb dat werk altijd graag gedaan en leerde ik de medewerkers als vanzelf kennen. Maar ook door de regelmatige bezoeken die ik aan het buro en de bisschop met missionarissen en bisschoppen bracht. Dus was mijn benoeming vanuit die achtergrond niet echt verrassend voor met name de mensen uit mijn parochies die bekend zijn met mijn missionaire hart. Zij waren zelfs plaatsvervangend trots dat ‘hun’ pastoor vicaris werd…”

Ons land mag dan wel een missieland zijn geworden, dat mag niet aan het gegeven voorbij laten zien dat het missiewerk zoals wij dat vanuit de traditie begrijpen, nog altijd van groot belang is. Dat in meervoudig opzicht zegt vicaris Goulmy: “Het missiegebeuren is de verantwoordelijkheid van de bisschop. Dat hij het delegeert aan een vicaris laat zien dat hij er belang aan hecht. Dat hij er een groot interesse in heeft blijkt ook al uit de jaarlijkse bezoeken hij aan diverse missielanden heeft gebracht. En aan de vele bezoeken die bisschoppen uit die landen aan ons bisdom brengen. Kijk, wij kennen hier een lange missietraditie. Vanuit hier werden de mensen daar geholpen. Vooral financieel. Maar de verhoudingen zijn wel ingrijpend gewijzigd. Vroeger was het eenrichtingsverkeer. Wij zonden missionarissen uit en ondersteunden hun werk. Vandaag de dag is het meer een wisselwerking geworden: wij geven niet alleen, wij ontvangen ook heel veel. Wij in het geseculariseerde westen kunnen met name inspiratie opdoen bij de jonge kerken in de Zuid-landen. Meer en meer is een goede wisselwerking aan het ontstaan en gegroeid waarbij we elkaar ondersteunen met middelen én mensen. De aanwezigheid van heel wat seminaristen uit missielanden op onze priesteropleiding spreekt wat dat betreft toch boekdelen.”

Missiebesef leven houden
Zijn jarenlange betrokkenheid bij de Dienst Missie en Missionaire Vorming zorgt ervoor dat hij al direct een goed zich heeft op doel en werkwijze van de organisatie. Het brengt hem tot het volgende: “Het is denk ik onze sterkte dat we al sinds jaar en dag inzetten op persoonlijk contact. Missionarissen en hun vrienden komen veelvuldig op bezoek, kunnen hun problemen en mogelijkheden rechtstreeks bespreken waardoor projecten waar ze zich voor inzetten ook een gezicht hebben. Zij komen niet terecht in een bureaucratisch, administratief kantoor, maar ze kunnen hun verhaal kwijt, er wordt met hun meegedacht. Dat kan allemaal alleen goed functioneren dankzij een goed draagvlak voor het missiewerk in parochies via vooral MOV en andere betrokken groepen die er gelukkig nog altijd zijn. Ze staan in deze tijd wel onder druk, zeker qua leeftijdsopbouw. Maar daarom is het zo belangrijk voor ons om te blijven werken aan het missionaire bewustzijn. Laten zien dat het missiewerk nieuwe stijl dat we voorstaan heel belangrijk is. Dat is en blijft een grote taak voor de toekomst, waarvan het Missiesecretariaat – dat de verschillende jaarlijkse acties coördineert -  en het Missieburo - dat geld werft om de ingediende projecten te kunnen ondersteunen – zich ten zeerste bewust zijn en waar ze zich ook zo veel als mogelijk voor willen inzetten. Het missiebesef levend houden is heel belangrijk, zeker voor de komende tijd.”

Of hij niet bang is dat het missiewerk gezien het tijdsbeeld onder druk zal komen te staan? Daarover is hij zeer duidelijk: “Nee, cijfermatig mag het qua bijdragen wat minder gaan met het missiewerk en kunnen de onontbeerlijke werkzame, actieve missiegroepen een aanwas van jongeren goed gebruiken, ik ondervind in de pastorale praktijk van alledag dat er nog altijd voldoende basis is om met plezier aan het missiewerk te gaan staan. Je hebt met concrete mensen te maken en met hen, daar kun je iets mee. En wat zijn mensen zonder (een) missie uiteindelijk…?”

Dit artikel komt uit het februarinummer van bisdomblad De Sleutel >>

     
     
     
     
     
Susteren-Echt