Preek in koepelkerk Maastricht

Preek van bisschop Frans Wiertz in de Koepelkerk te Maastricht op zondag 17 november 2013, de 33e zondag door het jaar

Eerste lezing: Mal. 3, 19 – 20a
Tweede lezing: 2. Tess. 3, 7 – 12
Evangelie: Lc. 21, 5 – 19

Sinds driekwart jaar hebben we een nieuwe paus:  Paus Franciscus. Voor menigeen was het even wennen toen hij op het bordes van de Sint Pieter verscheen. De vaticanisten hadden de naam Jorge Bergoglio niet op hun lijstje staan. Verbaasd en nieuwsgierig vroeg iedereen zich af: “Wie is deze man? Wat beweegt hem?” 

Wat hem beweegt, werd al direct duidelijk door de keuze voor de naam Franciscus. De grote heilige, die aan ons christen-zijn een nieuwe beleving heeft gegeven. Franciscus koos niet voor de protserige luxe van zijn vaderhuis, maar voor de armoede en de nederigheid. Hij koos voor een zo letterlijk mogelijke beleving van het evangelie van Jezus. Op Jezus wilde de heilige uit Assisi lijken. Omdat Jezus Christus de nederigste onder de mensen was geworden en zelfs zijn leerlingen de voeten waste, daarom streefde Franciscus dezelfde nederigheid na. De naam van de nieuwe paus is dus een programma dat iedereen aanspreekt, maar ook veel van ons vraagt: Menselijke nabijheid en liefde als navolging van Jezus. 

Maar op die bewuste avond van 13 maart gebeurde er nog iets, waarvan ik onder de indruk raakte. Niet zozeer dat de nieuwe paus iedereen vriendelijk begroette met zijn beroemde woorden “Buona serra”. Misschien was dat gewoon Zuid-Ameri-kaanse vriendelijkheid. Mij blijft vooral bij wat hij daarna zei en deed. De Vaticaanse protocollen werden simpel terzijde geschoven en beleefd vroeg de nieuwe paus aan de samengestroomde menigte om – voordat hij hen de zegen zou geven – eerst voor hem te bidden.

Nederig boog hij in stilte enige minuten zijn hoofd voorover. Het werd muisstil op het grote Sint-Pietersplein. Een ongekend gebaar van nederigheid. Dit verzoek om gebed, deze oproep tot stilte, illustreert hoe paus Franciscus de hoogste functie in de katholieke kerk, die hem is toevertrouwd, wil invullen en vormgeven. 

Daar, op het bordes van de Sint Pieter staat geen triomfator die potsierlijk bekend maakt dat hij de pausverkiezing gewonnen heeft; geen verwaande kerkpoliticus die de macht omarmt; geen geweldenaar die vanuit de hoogte zijn mensen toespreekt. Nee, daar staat een mens die eenvoudig blijft en zich ervan bewust is, dat hij ook maar een mens is die niet zonder Gods genade en hulp zijn taak kan vervullen. 

Een mens die voorover buigt en bidt. God moet het doen. Zijn heilige Geest. Sinds zijn aantreden heeft deze paus zonder grote woorden en toespraken steeds meer verhelderd wat de boodschap van onze kerk in navolging van Jezus Christus moet zijn en hoe zij deze zelf moet voorleven. Het kernwoord dat altijd weer uit zijn mond klinkt, luidt: ‘misericordia - barmhartigheid - mededogen ’. 

God is een barmhartige God en het is de taak van de kerk deze barmhartigheid uit te dragen, niet met woorden alleen. Paus Franciscus  wil uitdragen dat elke mens telt en dat geen enkel mens God onverschillig laat. Daarom waste hij ook de voeten van gevangenen op Witte Donderdag en bezocht hij Lampedusa om er zijn medeleven met de overleden bootvluchtelingen te betuigen. Juist met deze menselijke toenadering verovert de nieuwe paus de harten van velen. 

In een aantal interviews heeft paus Franciscus openhartig gesproken over de opdracht waarvoor de kerk staat. Maar journalisten zouden hun vak niet verstaan als ze ook niet hemzelf zouden bevragen: “Wie ben jij, Jorge Bergoglio? Wat zeg jij over jezelf?” Tot ieders verbazing klonk zijn antwoord kort en krachtig: “Ik ben maar een zondig mens, een zondaar.” Welke politicus of wereldleider durft zijn zwakheid zo bloot te leggen?

“Ik ben maar een zondig mens.” Broeders en zusters hier in de Koepelkerk, het is deze uitspraak van de paus die mij tot in het diepst van mijn hart raakt. Het is deze bescheidenheid die mij aanspreekt. Elke dag in de eucharistie spreken we de schuldbelijdenis uit. Elke dag zeggen we dat we gezondigd hebben in woord en gedachten, in doen en laten. Het klinkt heel nadrukkelijk in het ‘door mijn schuld, door mijn schuld’. Maar omdat het de vorm heeft van vaste tekst, is het ook soort formule geworden. Daarom klinkt het heel fris als de paus zegt: “Ik ben maar een zondig mens.”

En ik wil het hem nazeggen: “Ik ben ook maar een gewone zondaar. Ik ben maar een zondige mens, die eveneens bij God in het krijt staat en die gewoon als iedere mens Gods barmhartigheid nodig heeft en voor elke eucharistieviering de schuldbelijdenis moet bidden en op vaste tijden bij zijn biechtvader neerknielt.” 

In de liturgie van vandaag waarschuwt de profeet Maleachi ons voor de hoogmoed. Want hoogmoed praat zichzelf goed en is omgekeerd hard in het oordeel over anderen. Hoogmoed heeft nog nooit iets goeds tot stand gebracht. Wij kunnen alleen maar bidden om genezing van deze zondigheid. In het evangelie hoorden we hoe sommige mensen in Jezus’ gevolg Hem trots op de pracht van de tempel wezen. “Kijk daar eens onze tempel, hoe die daar prijkt met zijn fraaie stenen en wijgeschenken.” Maar voor Jezus is het niet meer dan klatergoud. Vergankelijk en onbestendig: “Er zal een tijd komen dat er geen steen op de andere gelaten zal worden,” zegt hij. “Alles zal verwoest worden.” 

Het zijn natuurlijk de politieke verwikkelingen die tot de verwoesting van de tempel in Jeruzalem hebben geleid. Maar we zouden onze ogen sluiten voor de werkelijkheid, als wij deze woorden van Jezus ook niet zouden betrekken op onze kerk, heel zeker de kerk van onze dagen. Wat we hebben geleerd, is dat voor triomfalisme in de kerk geen enkele aanleiding is. Triomfalisme is de kerk nooit goed bekomen en zal zich vroeg of laat altijd wreken. Het lag zo voor de hand in een tijd zonder tegenwind in de eerste helft van de vorige eeuw. Het ging de kerk zo voor de wind, dat ze hoogmoedig werd en vol eigenwaan. Zoals toen, zegt Jezus ook nu tot ons: “Wees op uw hoede,” want wij zijn maar een gewone kerk van zondige mensen.

Het triomfalisme heeft de zondigheid in de kerk een kans gegeven. Deze zondigheid is de laatste jaren duidelijk aan de dag gebracht. Journalisten hebben de schaduwzijden van de kerk breed uitgemeten en we schamen ons ervoor. We hebben het trachten toe te dekken, want wie ziet zijn zondigheid graag geëtaleerd? En toch zal de kerk met haar zondigheid in het reine moeten komen. Deze parochie heeft de gevolgen daarvan aan den lijve ervaren en heeft haar pastoor langere tijd  moeten missen vanwege verschillende klachtprocedures. We kennen zijn opluchting om de ongegrondverklaring van de klachten.

Maar we kennen ook de reactie van anderen die in hun vertrouwen in kerkelijke mensen diep werden teleurgesteld. Het zijn slachtoffers die niets te verwijten valt en uitsluitend de daders zijn verantwoordelijk. Voor hun verdriet wil ik mijn oren en ogen niet sluiten en mijn hart voelt mee met hun pijn. Ik wil bisschop zijn van pastoor en van slachtoffers en dat maakt van mij soms een verscheurde mens. Maar vandaag wil ik vooral bij deze parochie aanwezig zijn om mijn verbondenheid met uw geloofsgemeenschap te tonen. Want zeker deze parochie weet dat het  triomfalisme niet meer van deze tijd is.

In deze situatie wijst paus Franciscus de weg van de nederigheid en de barmhartigheid en hij gaat ons daarin voor door te zeggen: “Ik ben maar een gewone zondige mens.” Geen triomfalisme, geen hoogmoed, geen eigenwaan, geen goedpraterij maar nederigheid en dienstbaarheid. Geloof, hoop en vooral liefde. Dat is wat ons te doen staat. 

In het evangelie van deze zondag heeft Jezus Jeruzalem bereikt, de plaats van zijn lijden en dood. Het uur van de waarheid breekt aan. In dat perspectief verbleekt alle uiterlijkheid en concentreert de Heer zich op de ware navolging van zijn persoon. Daarom is hij niet onder de indruk van de stenen tempel, maar vraagt Jezus zich af: “Is de geloofsgemeenschap wel een tempel voor God?” Wij kunnen dat gemakkelijk concretiseren en ons de vraag stellen: “Kan God zich nu wel in ons midden thuis voelen?” Daarom waarschuwt Jezus: “Wees op uw hoede dat gij niet in dwaling gebracht wordt.” 

De ware christen zal geen aandacht voor zichzelf vragen, maar nederig en dienstbaar willen zijn en begaan met het geluk van de ander. Dan geeft hij ook toe dat er nog zoveel beter kan in het leven in de verhouding tot God en in de omgang met de naasten. Er is steeds reden is om de schuldbelijdenis te bidden en goed te maken wat er beter had gekund. En ook om het sacrament van de biecht te ontvangen. 

In alle turbulenties van de tijden – of het nu is gedurende de hele mensengeschiedenis of in een enkel mensenleven – wijst Jezus ons de weg en zegt: “Het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis.” Jezus bemoedigt ons daartoe en hij stelt ons gerust: “Maak je niet teveel zorgen. Je wordt erbij geholpen.” Durf te vertrouwen, hoe moeilijk de omstandigheden ook zijn. Dat is eigenlijk wat we doen als we samen met paus Franciscus het Onze Vader bidden en ons het gebed van Jezus zelf eigen maken. “Uw Rijk kome, Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.” Daarop mogen we hopen. Wij zijn in Gods hand en Zijn wil mag geschieden. Dat was het gebaar van de nieuwe paus: Bid voor mij en bid met mij. Dan zal God voor Zijn kerk zorgen. Amen.

+ Frans Wiertz
bisschop van Roermond

     
     
     
     
     
Susteren-Echt