Preek permanentdiakenwijding 2013

Preek van bisschop Frans Wiertz bij de permanent-diakenwijding van Bart Jansen op zaterdag 20 april 2013 in de Sint-Christoffelkathedraal te Roermond.

1e Lezing: Hand. 9, 31 – 42
Evangelie: Joh.  6, 60 – 69

“In die dagen genoot de kerk in heel Judea, Galilea en Samaria vrede…. en (zij) nam gestadig in aantal toe door de vertroosting van de heilige Geest.” Zo begint de lezing uit de Handelingen van de Apostelen vandaag op deze zaterdag in de derde paasweek. Het schenkt ons vertrouwen om te zien hoe na de droevige gebeurtenissen van de Goede Week de  bezieling van de verrezen Heer als werk van de heilige Geest vrucht draagt. 

Deze bezieling is werkzaam in de jonge Kerk. Maar wij mogen geloven dat Gods Geest elke generatie door de tijden heenleidt en de Kerk verjongt met nieuw leven, met nieuwe mensen die zich aanbieden om hun leven aan God toe te wijden. Daarom mag ik vandaag Bart Jansen tot diaken wijden. 

Na drie weken zijn we nog steeds vol van het Paasfeest. De vreugde van dit feest blijft niet tot één dag beperkt, maar kent een octaaf: een feestweek! En alsof dat nog niet genoeg is, laten we de Paastijd zeven keer zeven dagen duren. Op de 50e dag vieren we het hoogfeest van Pinksteren, de dag waarop de nederdaling van Gods Heilige Geest haar volle uitwerking heeft op de apostelen.

Wie de gebeurtenissen van Pasen beziet, kan vaststellen dat de Heilige Geest eigenlijk nooit weggeweest is. Al bij zijn sterven, gaf Jezus de Geest. Zo lezen wij in het evangelie volgens Johannes. Als Jezus op de dag van Pasen aan de verbouwereerde apostelen verschijnt, klinkt meteen die toezegging: “Ontvang de heilige Geest.” De mensheid is dus geen moment van Gods Geest verstoken geweest. Gods liefde heeft ons altijd omgeven. Zelfs in de momenten van de troosteloosheid na de kruisiging op Golgotha. Maar het heeft tijd nodig om de angst en teleurstelling bij de leerlingen te laten omslaan in intens vertrouwen. 

Na de ontmoeting met de Verrezene en de toezegging van de Heilige Geest, bekruipt de leerlingen steeds weer de twijfel: “Zou het waar zijn? Zou het echt waar zijn? Thomas zegt zelfs: “Als ik niet mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde kan leggen, zal ik zeker niet geloven.” Maar Gods Geest forceert niets. Hij kan wachten. Hij gunt mensen de tijd. Jezus komt weer binnen bij de apostelen en toont liefdevol de tekenen van zijn vijf heilige wonden. 

Eigenlijk is het eerste gedeelte van de weken na Pasen ook een voorbereidingstijd. Een voorbereiding op het tweede afscheid van Jezus. Daarom duurt de periode tot aan Hemelvaart ook 40 dagen. Dat getal duidt in de Bijbel altijd op een tijd van voorbereiding. De profeet Elia liep in zijn wanhoop en teleurstelling 40 dagen door de woestijn, totdat hij de berg van God – de Horeb – bereikte. Daar verscheen God zelf aan hem in een zachte bries. Hij bemoedigde Elia om alle teleurstelling achter zich te laten en zijn opdracht als profeet weer op te pakken. 

Zo duurt het ook even voordat de leerlingen zó vervuld raken van Gods Geest, dat ze hun twijfel opgeven en terugdenken aan de vele gebeurtenissen in het leven van Jezus. Ze gaan begrijpen hoe Gods heil in de vele gebeurtenissen steeds weer oplicht. Ze herkennen de verwondering van de Emmausgangers aan wie de rode draad van Gods heil wordt uitgelegd. Zo laat Gods Geest de leerlingen niet meer los. Hij maakt hen zelfs onrustig. Ze kunnen niet meer zwijgen. Een heilig moeten maakt zich van hen meester. Ze willen het heilswerk van de Heer voortzetten en het evangelie verkondigen. Na de Pinksternovene worden ze op de vijftigste dag na Pasen in vuur en vlam gezet. Dan houdt Petrus zijn beroemde Pinksterpreek, die wij nog altijd in de Paastijd overwegen. 

Vanaf die Pinksterdag breidt de Kerk zich uit. Naar alle kanten trekken de apostelen uit. Ze herhalen de vertrouwde woorden van Jezus zelf en ze vertellen over de gebeurtenissen rond Pasen. Bovendien wordt deze verkondiging van de Blijde Boodschap begeleid door wondertekenen. We hoorden van de genezing van Enéas in Lydda. Zij was al acht jaar verlamd, maar op de woorden van Petrus wordt zij genezen. In Joppe wekt Petrus Dorkas weer tot leven. Ze was heel geliefd en de mensen treuren om haar sterven, maar op het woord van Petrus “Tabita, sta op,” opent zij haar ogen en gaat overeind zitten. Net als bij Jezus voegen zich tekenen van Gods Koninkrijk bij de verkondiging. Zo wordt zichtbaar dat Zijn zegen op de prediking van Petrus rust. Zoals het optreden van Jezus eens genezend en leven schenkend was, zo wordt nu de verkondiging door Petrus met dezelfde wondertekenen omgeven. 

De Handelingen van de Apostelen, die ons vertellen over deze missionerende activiteiten van de leerlingen, vertellen ook over een probleem van de jonge Kerk, waarvoor de apostelen zich gesteld zagen. Vanwege de drukte van de verkondiging schoot de zorg en ondersteuning van concrete mensen soms tekort. Wij lezen in de Handelingen hoe de twaalf de hele groep leerlingen bij elkaar riepen en zeiden: “Het is onverantwoord dat wij het woord van God verwaarlozen om te kunnen zorgen voor ondersteuning. Zie daarom uit naar zeven personen uit jullie midden, die goed bekend staan, vol van de Geest en van wijsheid. Hen zullen wij dan met deze taak belasten, terwijl wíj ons blijven toeleggen op het gebed en de bediening van het woord.” (Hand 6, 1-6) Zo werden er zeven mannen voorgedragen en de apostelen legden hen de handen op.  

Het was een modern probleem, want ook in onze dagen blijft er in parochies werk liggen. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft deze nood onderkend en door invoering van het permanente diaconaat in deze nood proberen te voorzien. We lezen in de dogmatische constitutie over de Kerk: “Gesterkt door de sacramentele genade, staan (de diakens) in dienst van het Volk van God door de diaconie van de liturgie, het Woord en de liefdewerken, in gemeenschap met de bisschop en diens priesterschaar.” En verder: “Aan de diaken komt het toe het doopsel plechtig toe te dienen, de Eucharistie te bewaren en uit te reiken, in naam van de Kerk bij het huwelijk te assisteren en het in te zegenen, de teerspijze naar de stervenden te brengen, aan de gelovigen de heilige Schrift voor te lezen, het Volk Gods te onderrichten en aan te moedigen, de eredienst en het gebed van de gelovige voor te zitten, de sacramentaliën toe te dienen, de uitvaartdienst en de begrafenisritus te leiden.” 

Zorg voor mensen, als uiting van Gods liefde, klinkt in het evangelie door alles heen. Ook in het Johannesevangelie waaruit we vandaag gelezen hebben. Dit hoofdstuk is ook bekend als de eucharistische rede. Deze begint met het teken van de wonderbare spijziging. Een grote menigte is Jezus gevolgd, omdat ze de tekenen zag die Hij verrichtte. Meer dan eens lezen we dat Jezus medelijden voelde met de menigte, want hij zag hun noden en zorgen. Hij wilde hen nabij zijn. Daarom nam hij de vijf broden en twee vissen, een dagrantsoen van een kind. Hij sprak een dankgebed en liet het uitdelen. 

Niet voor niets spreekt Jezus een dankgebed uit. Het drukt meer uit dan alleen bidden voor het eten. Jezus wil duidelijk maken dat het God is, die omziet naar mensen. Niet voor niets bidden we in het Onze Vader: “Geef ons heden ons dagelijks brood.” Maar hier gebeurt meer dan alleen een broodverdeling.  Jezus spreekt over de tweede honger, waaraan een mens kan lijden. Uiteindelijk is Jezus gekomen om ook die honger te stillen: de honger naar geluk, naar liefde, naar trouw, naar eeuwig leven. Daartoe biedt Hij zichzelf aan en zegt Hij: “Ik ben het levende Brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit Brood eet, zal hij leven in eeuwigheid”(Joh 6,51). De caritatieve en diaconale Jezus wil méér dan alleen de kortstondige honger stillen. Maar de teleurstelling voor Hem is dat de menigte alleen dat brood voor de korte termijn wil. We hoorden dat de uitleg van Jezus velen tegen de borst stuit. Verontwaardigd klinkt het: “Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?” En de een na de ander verlaat zijn gezelschap. 

Beste Bart, dit is het spanningsveld waarin je als diaken zult gaan werken. Deze reactie leeft ook heel sterk in onze samenleving. Het was ook al een bekoring voor Jezus om voor zichzelf stenen in brood te veranderen. Brood zonder tekenwaarde. Brood zonder boodschap. Brood voor de mens die alleen zijn eigen honger wil stillen. De menigte wil zo’n broodtovenaar en wil hem zelfs tot koning uitroepen. Maar de mens leeft niet van brood alleen, maar van wat uit de mond van God voortkomt. Zo is de reactie van Jezus op deze verleiding.

De diaken is steeds méér dan een hulpverlener. Natuurlijk maakt hij werk van de diaconie of caritas, maar steeds heeft hij méér te bieden dan dat alleen. Hij geeft niet alleen iets, maar altijd ook iets van zichzelf, van zijn overtuiging, van zijn geloof. Hij biedt ook altijd Jezus aan, Gods Zoon als de gekruisigde en verrezen Heer. De diaken kijkt met de ogen van Jezus naar mensen zoals Hij de menigte zag en medelijden voelde. Omgekeerd ziet de diaken hoe in de behoeftige mens Jezus zelf ons tegemoet treedt. En met dezelfde eerbied waarmee we knielen voor de heilige Eucharistie, dient de diaken neer te knielen voor de zieke. Want Jezus zei: “Ik was ziek en naakt. Ik had honger en dorst. Ik was vreemdeling en had geen onderdak.” Dat veronderstelt een verdiept eigen geloof. Dat veronderstelt een hechte band met de Heer Jezus om te leven van zijn Woord en Hem te ontvangen in zijn heilige Sacramenten, vooral de eucharistie. 

Beste Bart, leg je toe op een intense band met Onze Heer Jezus, die je vervult met Zijn heilige Geest. Leg je toe op oprechtheid. Dat in je eigen leven woord en daad samenvallen. Dat je diaconaat een tweede natuur in je wordt. Paus Franciscus wijst ons al vanaf het eerste ogenblik van zijn pontificaat op onze taak van dienstbaarheid en bescheidenheid, van liefde voor elke mens. Moge je zo diaken zijn. Moge Gods Geest je steeds nabij zijn en door je heen stralen. Moge je in je diaconaat steeds gelukkig zijn. Amen.

+ Frans Wiertz
bisschop van Roermond

     
     
     
     
     
Susteren-Echt