Preek priesterwijding 2013

Preek van bisschop Frans Wiertz tijdens de wijding van drie priesters in de Sint-Christoffelkathedraal te Roermond op zaterdag 25 mei 2013

Eerste lezing: Wijsheid 17, 1 – 15      
Evangelie:  Marcus 10,13-16

Het is een blije dag vandaag voor ons bisdom. Drie diakens zijn net bij name genoemd. Eén voor één zijn ze naar voren gekomen en hebben ze hun ‘adsum’ – dat betekent: ‘hier ben ik’ – uitgesproken. 

Dat korte Latijnse woordje ‘adsum–hier ben ik’, drukt uit dat jullie je met heel je hart en heel je ziel aanbieden om priester te worden. Dat je beschikbaar bent om dienstbaar te zijn in Gods Kerk. Je bent persoonlijk geroepen en geeft persoonlijk antwoord op de roepstem van de Heer. 

Voor jou, Ralf, is het een weg geweest die als een uitgesteld antwoord kan worden omschreven. Na een studie tot planoloog en vele jaren werk, onder andere bij de provincie Limburg, heeft jouw levensweg zich afgebogen richting Rolduc. Daar heb je een aangepaste priesteropleiding gevolgd. 

Heel anders is het antwoord geweest van jou, Roderick. Jouw roeping is direct al in je jeugd ontstaan als misdienaar aan het altaar waar de Eucharistie wordt gevierd en het heilig Sacrament wordt aanbeden. Jij lijkt direct en rechtstreeks op deze wijdingsdag te zijn toegegaan.

De weg die jou, Carlos, tot hier heeft gebracht, is heel verrassend. Je bent afkomstig uit de stad Tunja in Colombia in het Andesgebergte. Zoals bij zovele jonge mensen hebben carrière, geld verdienen en een gezin stichten ook eens jouw gedachten vervuld. Maar via je ouders kwam je in contact met de Neocatechumenale Weg. Daar opende een priester je de ogen voor de grenzeloze liefde van Jezus Christus. Die wil je beantwoorden met een wederliefde. Je koos uiteindelijk voor een seminarie van Redemptoris Mater. Zoals eens het lot Mathias aan de twaalf apostelen toevoegde, zo wees het lot het bisdom Roermond aan als de plaats waar je de priesteropleiding zou gaan volgen en pastoraal werkzaam zult zijn.

Vanuit deze verschillende achtergronden heeft ieder van jullie zojuist gezegd: “Hier ben ik – adsum”. Dit “hier ben ik” grijpt diep in je leven in. Het is een ‘adsum’ tot trouw, tot dienstbaarheid, tot volledige inzet en zelfgave. Want je krijgt door de priesterwijding deel aan het priesterschap van Onze Heer Jezus Christus. Hij heeft Zijn priesterschap vormgegeven als Offeraar en ook als Offerande. Dat priesterschap is dus totaal. 

Daarin vallen het woord dat je spreekt en het leven dat je leidt, volledig samen. Die eenheid van Offeraar en Offerande heeft Jezus ons voorgeleefd. Priesterschap naar Zijn voorbeeld heeft niets te maken met de vaak eraan toegekende of door de priesters zelf opgeëiste status en aanzien. Het is een priesterschap zonder franje. Voor triomfalisme is hier geen enkele aanleiding. Triomfalisme heeft de Kerk nooit goed gedaan. Jezus’ priesterschap kreeg uiteindelijk vorm in de volledige zelfgave van de kruisdood.  

In de hoofdstukken 9 en 10 van de Hebreeënbrief wordt deze gedachte haarfijn uitgewerkt. Daar lezen we: “Daarom zegt Jezus als Hij in de wereld komt: Slachtoffers en gaven hebt U niet gewild, maar U hebt voor Mij een lichaam bereid. Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen. Toen zei Ik: Hier ben Ik, Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen. ….” Jezus schaft dus het eerste af om het tweede te laten gelden. Zo heeft Hij ook zelf Zijn ‘adsum-hier ben ik’ uitgesproken en voorgeleefd. 

Beste wijdelingen, de lat ligt dus hoog. Ze is niet door mij als jullie bisschop of door de Kerk zo hoog gelegd, maar door Jezus zelf. Niet voor niets is daarom jullie ‘hier ben ik’ door mij bevraagd. Op het verzoek van de rector van het seminarie om jullie de wijding toe te dienen, heb ik gereageerd met een vraag: “Weet u of zij de priesterwijding waardig zijn?” 

Wie de persoon van Jezus Christus voor ogen heeft, weet dat eigenlijk niemand Hem kan evenaren. Menselijke zondigheid en falen blijft mensen – en dus ook priesters – eigen. Het antwoord op mijn vraag of jullie waardig bevonden worden, is gegeven na nauwkeurig onderzoek. Het is het resultaat van de opleiding op het seminarie, de stages en ook jullie werk als diaken in de parochie. Maar het is vooral het gevolg van je persoonlijke band met de Hogepriester Jezus Christus, in wiens Woord je je dagelijks verdiept en wiens levensvoorbeeld je ter harte neemt. Als je Hem voor ogen houdt, beschouw je de toelating tot de wijding niet als een kroon op je studie, maar als het antwoord op Jezus’ roepstem om samen met Hem op weg te gaan. Tegenover de Heer heb je ten diepste het ‘adsum’ uitgesproken en het verlangen kenbaar gemaakt om aan zijn Priesterschap deel te krijgen. 

Behalve deze inspirerende gedachte uit de Hebreeënbrief, worden ons vandaag ook de lezingen aangereikt van de zaterdag in de 7e week door het jaar. De eerste lezing is genomen uit het Boek Ecclesiasticus en het evangelie is opgetekend door Marcus.  Het boek Ecclesiasticus hoort tot de jongste oudtestamentische teksten en mag gezien worden als een rijpe vrucht van het Joodse gelovige denken. De door de eeuwen heen opgedane wijsheid is erin samengevat. Niet alleen de geschiedenis van God en zijn Volk wordt er ter sprake gebracht, maar ook de mens in zijn relatie tot God. 

De lezing van vandaag is als het ware een loflied op de mens die zich niet alleen in Gods nabijheid mag weten, maar die ook geschapen is naar Gods Beeld en Gelijkenis. Dat betekent dat de mens niet zelf God is, maar wel heel nauw met Hem verbonden is. “Onderscheidingsvermogen en een hart gaf Hij hun om te kunnen denken,” zo hoorden we. “Hij vervulde de mensen met kennis en verstand; goed en kwaad hield Hij hun voor.”  

God en mens horen in de schepping bij elkaar. Als deze orde verbroken raakt, raakt de mens verweesd en gedesoriënteerd. Dan moet het verbond weer hersteld worden. Israël is zich deze band met God zeer bewust geweest, zijn uitverkiezing en zijn bijzondere status. Het weet dat de wet en geboden uitdrukking zijn van Gods wijsheid, die voor de mens nodig zijn tot zijn vreugde en geluk. Het is een deemoedige en nederige vreugde dat we zoveel gaven van God hebben gekregen. Maar Israël verloochende zijn band met de Heer vaak. En ook binnen het nieuwe Israël – de Kerk – wordt de band met God zo vaak verwaarloosd.

Beste wijdelingen, aan deze tekst van Jezus Sirach kun je aflezen wat je als priester te doen staat. Het is God zelf geweest die in Jezus Christus en door Zijn verlossend leven en lijden de orde van Zijn Schepping hersteld heeft. Hij heeft de mens en Zijn Schepper weer met elkaar herenigd. Jezus’ verkondiging sloot aan bij de woorden van Jezus Sirach: “Hoed u voor elk onrecht”. Daartoe gaf God hen de geboden voor ieders houding tot zijn naaste. 

Wij belijden in dit jaar van het geloof, dat God in Jezus Christus mens geworden is om ons weer tot mensen van God te maken. Aan deze heilzame hereniging mag je als priester meewerken. Besteed daarvoor aandacht aan het leren in de prediking, in catechese en aan je persoonlijke geloofsverdieping. Maar ook aan het gesprek met wie ervoor open staat. Je mag de heilige Sacramenten vieren. Vooral de eucharistie.

Je mag dienen: deel hebben aan Jezus Christus, die bijzondere aandacht had voor zieken en zondaars en die zelfs bereid was de voeten van de leerlingen te wassen. Dat God en mens bij elkaar worden gebracht wordt mooi geïllustreerd in het evangelie. Daar  brachten de mensen kinderen bij Jezus met de bedoeling dat Hij ze zou aanraken. Er is dus ook een verlangen van mensen naar God, zoals deze moeders in het evangelie duidelijk maken. Zij vragen voor hun kinderen Gods zegen, Zijn goedheid, Zijn Liefde. 

We kennen in ons bisdom het initiatief van ‘praying mothers’, biddende moeders. Zij zijn tot bidden gekomen uit liefde voor hun kinderen. Want één zorg vervult hen allen: dat hun kinderen gelukkig mogen worden en dat zij voor hun kinderen goede ouders mogen zijn. Ze bidden dat hun kinderen mogen uitgroeien tot gelovige mensen, met het hart op de juiste plaats. Geen stenen hart, maar een hart van vlees, dat klopt uit liefde voor de naaste. Zij bidden dat hun kinderen een bijdrage mogen leveren aan een betere wereld en aan een betere Kerk. Maar dan lezen we tot onze verbazing: “Bars wezen de leerlingen ze af.”

Misschien voelen ook tegenwoordig mensen zich bars afgewezen. Misschien zijn sommige mensen in hun geloof ook niet helemaal volwassen geworden.  Misschien is er ook wel het een en ander op hen aan te merken. Maar mogen we hen afwijzen? We lezen hoe Jezus kwaad werd, toen Hij dat zag. Jezus is te zeer een Goede Herder, voor wie elk schaap in de kudde meetelt. Geen mens mag dus verloren lopen. Hij wil hen voorgaan in het leven en hen leiden naar de grazige weiden van Zijn goddelijk Woord, waarin altijd bezieling en troost te vinden is. Hij wil hen het Brood van het eeuwige leven reiken, Zijn eigen Lichaam en Bloed. “Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen.” De massale volkskerk lijkt soms geworden tot een kudde zonder herder. Maar juist met deze kudde had Jezus medelijden en had Hij een band. 

Daarom, beste wijdelingen: Houd ze niet tegen, al die mensen die de weg zoeken en verdwaald lijken. Ga hen voor. Bescherm hen en biedt hen aan wat de Kerk aan goeds te bieden heeft: Woord en Sacrament en gewoon menselijke liefde, zoals Jezus die hen omarmde, hen zegende en hen de handen oplegde.

Beste wijdelingen, jullie worden tot priester gewijd. Jullie gaan werken in deze seculiere maatschappij, waarin mensen desondanks om zegen vragen. Jullie mogen de mensen bij hun oorsprong brengen: bij God de Schepper van hemel en aarde en ook hun Schepper.  Jullie mogen hen de weg van het evangelie wijzen en hen bij Jezus brengen, wiens hart voor iedere mens klopt. Tot deze taak ben je geroepen door de Heer. Je hebt hiervoor je ‘adsum-hier ben ik’ uitgesproken. 

Moge je in navolging van de Heer deze taak zonder reserves vervullen en hem aanbieden wat je het meest dierbaar is: Je eigen leven. Dan zal de Heer steeds Zijn zegen op je leven laten rusten.  Amen.   

+ Frans Wiertz
bisschop van Roermond

     
     
     
     
     
Susteren-Echt