IJsheiligen

'IJsheiligen' is wellicht het oudste bekende begrip in de volksweerkunde. De eerste berichten hieromtrent dateren van rond het jaar 1000. De ijsheiligen zijn Mamertus, Pancratius, Servatius en Bonifacius. Hun gedenkdagen vallen van 11 tot en met 14 mei.


Omdat drie een heilig getal is worden in de meeste landen maar drie ijsheiligen gevierd. In sommige landen wordt daarom Sint Mamertus niet meegeteld en in andere landen hoort Bonifacius er niet bij. Overigens moet deze heilige niet verward worden met de in Nederland bekende Bonifatius, die in 754 in Dokkum vermoord werd. Zijn feestdag is immers op 5 juni. De ijsheilige Bonifacius van Tarcus was een Romeins burger, die in 307 de marteldood stierf tijdens de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus.

Sint Pancratius werd geboren omstreeks 290 in Frygië en stierf rond het jaar 304 in Rome. Als 14-jarige christen werd hij, eveneens onder de vervolgingen van keizer Diocletianus, onthoofd. Onder meer de 10de eeuwse kerk van Mesch (gemeente Eijsden) is aan hem gewijd en ook de dekenale kerk van Heerlen.

Sint Servatius werd geboren in Armenië en stierf op 13 mei 384 in Maastricht. Hij is de eerste bisschop van het tegenwoordige Limburg en boven zijn graf werd de bekende Sint Servaasbasiliek in de Limburgse hoofdstad - waarvan hij patroonheilige is - gebouwd.

Sommige landen - waaronder Duitsland, Hongarije en Zwitserland - rekenden in het verleden ook 15 mei (ook wel aangeduid als 'Koude Sophie') nog tot de ijsheiligen. Dat dateert uit de elfde eeuw, toen de heilige Sophie beschermelinge van de vorst was. In het Alpengebied werden indertijd op die dagen vuren ontstoken ter bescherming tegen de vorst.

De weerkundige benaming 'ijsheiligen' ontleent zijn naam, volgens het KNMI, aan het gevaar van koud voorjaarsweer voor het gewas, dat in deze tijd in volle bloei staat. Hoewel de winter verdwenen lijkt, kan in deze dagen nog de laatste nachtvorst flink veel schade aanrichten. Het is echter niet zo - zoals vaak wordt verondersteld - dat juíst op déze dagen de kans op een overgang naar koud weer groter is dan op andere dagen in het voorjaar. "Abrupte temperatuurveranderingen, die onder andere het gevolg zijn van het nog relatief koude zeewater, zijn kenmerkend voor dit hele jaargetijde en kunnen ook in juni nog voorkomen. Wel neemt na half mei de kans op vorst sterk af en aan het eind van de maand zijn temperaturen onder nul heel uitzonderlijk. In dat opzicht markeren de ijsheiligen meestal de overgang naar een periode met een meer zomers karakter", aldus het KNMI.