Toespraak symposium evangelisatie

Toespraak van bisschop Frans Wiertz voor studenten en docenten van de diverse priesteropleidingen in Nederland tijdens een symposium over de Nieuwe Evangelisatie, gehouden in Grootseminarie Rolduc te Kerkrade op 12 november 2012.

De vorige paus was, zoals we allemaal weten, een echte mediaman. Hij had daar gevoel voor. De huidige paus is meer een professor, die het allemaal heel precies weet te formuleren. Johannes Paulus had juist heel veel feeling voor de vorm. Hij voelde aan hoe je met een paar woorden of een gebaar een boodschap voor een breed publiek duidelijk kunt maken. Ooit vroeg een journalist aan hem: “Heilige Vader, kunt u in één zin het mission statement van de kerk samenvatten?” Toen zei Johannes Paulus: “Ik kan het in één woord: verlossing.” Het is heel mooi en tegelijk heel mediageniek hoe hij de opdracht van de hele kerk wist terug te brengen tot één woord: verlossing.

De belangrijkste missie van de Kerk; ónze belangrijkste taak, ónze belangrijkste boodschap luidt: verlossing! Al het andere is daarvan afgeleid of doen we om die boodschap van verlossing uit te dragen. Ook evangelisatie en nieuwe evangelisatie – waarover we nu spreken – hebben als doel uit te leggen dat het geloof in Jezus Christus de weg naar verlossing is.

In de brief Novo Millennio Ineunte, die Johannes Paulus in 1994 schreef als voorbereiding op het Jubeljaar 2000, heeft hij dat nog eens heel nadrukkelijk uiteen gezet: “Christus de verlosser van de wereld is de enige middelaar tussen God en de mensen en er is geen andere naam onder de hemel waardoor wij gered kunnen worden.”

Christus is de verlosser. Hij is onze man! Dat is de boodschap die wij als Kerk met onze evangelisatie steeds opnieuw
over het voetlicht moeten proberen te brengen. Natuurlijk is dat wat eenvoudig gesteld. Er hoort een hele theologische onderbouwing bij. En je kunt er ook meteen allerlei vragen bij bedenken. Maar helemaal teruggebracht tot de kern is dit wel waar het over gaat.

Wanneer wij dus spreken over evangelisatie is het goed om vanaf het begin te weten welke boodschap we willen communiceren: die van verlossing! Dat kun je dan vervolgens op allerlei manieren uitwerken. Je kunt de pijlers van de kerk noemen: leren, vieren, dienen. Je kunt de taken van de priester benoemen: herder, bestuurder, leraar. Je kunt het hebben over geloof, hoop en liefde. Over caritas, over vertrouwen, over de verhouding tussen Vader, Zoon en heilige Geest, over Maria. Het hoort er allemaal bij. Maar uiteindelijk komt alles neer op dat éne woordje: verlossing.

Dat brengt ons meteen bij de kern van het probleem dat de Kerk – en trouwens alle grote ideologische systemen – in het westen hebben. Want als ons antwoord luidt: verlossing. Dan is de vraag van moderne mensen in West-Europa meteen:
waarvan moet ik dan verlost worden?

Als je alles hebt: een huis, een baan, mooie spullen, twee keer per jaar op vakantie, een leuke kring van familie en vrienden, een goede gezondheid – en anders wel goede artsen om je te helpen. Als je geen honger hoeft te leiden, als je al 70 jaar geen oorlog meer het hebt meegemaakt, zoals wij in West-Europa; als de totalitaire systemen tot het verleden behoren, zoals in Oost-Europa: waarvan moet je dan verlost worden? Sterker nog: er is een grote groep mensen die door de ontwikkelingen in de jaren zestig en zeventig het gevoel hebben dat ze juist van de Kerk verlost zijn. Zij ervaren de secularisering van de samenleving niet als een verarming, maar juist als bevrijding. Daar zijn ook weer allerlei redenen voor te geven. De Kerk heeft in het verleden ook inderdaad fouten gemaakt.

De grip van de Kerk op de samenleving als geheel en op het persoonlijk leven van mensen was in bepaalde periodes van de geschiedenis heel groot en voelde voor sommige mensen ook als heel beklemmend. Daar kunnen we niet omheen. Ik heb een stukje van die tijd meegemaakt. Hoewel ik het zelf nooit negatief heb ervaren, snap ik wel dat er mensen zijn die de beroemde tijd van het Rijke Roomse Leven als beklemmend en verplichtend hebben ervaren. De vorm was vaak belangrijker dan de inhoud. Het is goed dat het Tweede Vaticaans Concilie de ramen opengegooid heeft en een frisse wind door de Kerk heeft laten waaien.

Het ‘aggiornamento’ van paus Johannes XXIII heeft van alles in beweging gezet. Dat is een goede zaak geweest. Alleen zijn we nu weer een halve eeuw verder. Het is goed dat we bij de herdenking van 50 jaar Vaticanum II nadenken over de vraag wat er met de goede voornemens en de bezieling van de concilievaders is gebeurd? En hoe wij vanuit dat licht de tekenen van ónze tijd kunnen verstaan en moeten interpreteren. Zodanig, dat we uiteindelijk toch weer die boodschap van verlossing over het voetlicht kunnen brengen. Want daar was het om te doen en daar blijft het ook om te doen. Want zoals we met name in het Jubeljaar 2000 heel vaak gezongen hebben: Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en morgen.

De boodschap die we als Kerk hebben, is al 2000 jaar dezelfde. In zijn brief Novo Millennio Ineunte uit 2001 – dus direct aan het begin van het nieuwe millennium – schrijft paus Johannes Paulus II dat we geen nieuw programma voor de Kerk hoeven te ontwerpen. Dat is er al, gebaseerd op het evangelie en de levende Traditie en gericht op Christus. “Dat programma verandert niet met de wisseling van de tijden en culturen….. Dit programma van oudsher is ons programma voor het derde millennium,” aldus Johannes Paulus in Novo Millennio Ineunte. Maar – zo schrijft hij verder – het is wel noodzakelijk dat het vertaald wordt in pastorale oriëntaties die aangepast zijn aan de situatie van elke gemeenschap.

Wat we dus elke keer opnieuw moeten doen, is proberen de tekenen van de tijd te verstaan en die zodanig interpreteren dat onze evangelische boodschap er in past en aansluiting vindt met concrete mensen van dat moment. In Novo Millennio Ineunte wordt een aantal belangrijke speerpunten genoemd voor onze nieuwe evangelisatie. Ik zal er straks een paar uitpikken.

Maar eerst wil ik de aandacht op iets anders vestigen. Het is bij het begin van het derde millennium natuurlijk niet voor het eerst dat we als Kerk met de vraag naar evangelisatie worden geconfronteerd. Die noodzaak aan verkondiging is al zo oud
als de kerk zelf. We kunnen dus ook teruggaan tot het begin van de Kerk om een format te vinden voor het opnieuw verkondigen van het evangelie. Dat format is er en vinden we in de ‘Handelingen van de apostelen’. Het is een oude tekst, maar daarom niet achterhaald. Juist in onze tijd, waarin veel mensen van God en de Kerk afgedwaald zijn. Juist in een tijd, waarin het hele christelijke leven weer opnieuw geijkt moet worden, hebben de Handelingen een enorme actualiteitswaarde. De apostelen die met Pinksteren in de bovenzaal bij elkaar zaten en daar vervuld raakten van de Heilige Geest en vervolgens vol vuur op pad gingen om het goede nieuws te vertellen: dát is in feite wat wij ook weer moeten doen.

Het boek Handelingen zou ik daarom onze ‘roadmap’ voor de toekomst willen noemen. Een roadmap, geen blauwdruk. Dat is iets anders. In een blauwdruk staat exact wat er gaat komen, hoe iets moet gaan worden dat vooraf uitgetekend is. Dat weten we met de Kerk niet. We weten alleen dat we op weg zijn naar Christus. We zijn Gods volk onderweg. En er zijn meerdere wegen die ons naar Hem toe kunnen leiden. Daarom geen blauwdruk maar een ‘roadmap’ – een routekaart – die ons diverse wegen wijst om bij Christus uit te komen. Het boek Handelingen is een belangrijk onderdeel van onze ‘roadmap’ voor de komende jaren. Dáár staat namelijk hoe je vanuit het niets kunt beginnen om de boodschap van verlossing te verkondigen en die langzaam te laten groeien. De apostelen zijn niet in joekels van kathedralen of basilieken begonnen, maar bij mensen thuis, in kleine groepen. Ze baden samen, ze braken het brood en deelden alles met elkaar. Vanuit die kleine gemeenschappen is de Kerk gaan groeien en zijn we uiteindelijk een wereldomvattende geloofsgemeenschap geworden.

Overal waar de Kerk in de eeuwen daarna opnieuw geplant werd – vanuit Europa in Azië, in Amerika, in Afrika, in Oceanië – overal begon het steeds op dezelfde manier: met missionarissen die kleine biddende groepen wisten te enthousiasmeren en van daaruit de nieuwe gemeenschap lieten groeien. Als dat een beproefd recept is, dat door de eeuwen heen steeds zo gefunctioneerd heeft, waarom zou het dan nu niet meer zo werken? Dat betekent voor onze evangelisatie-agenda dat wij ook moeten bekijken hoe we in Nederland weer kleine groepen van enthousiaste en bezielde biddende gelovigen kunnen stimuleren. Gebedsgroepen, catechesegroepjes, jongerengroepen, bijbelleesgroepjes, noem maar op. In alle bisdommen bestaan al van deze small christian communities. Soms formeel geregeld met een kerkelijke erkenning en internationale geledingen. Soms ook heel lokaal of heel pril. Dat maakt niet uit. Belangrijk is dat die oude traditie – van kleine groepen gelovigen die elkaar ontmoeten, samen bidden, elkaar bemoedigen en hun geloof met elkaar delen – niet verloren is gegaan en zelfs weer nieuw leven wordt ingeblazen. Wat ik daarbij heel belangrijk vind, is dat het niet te klerikaal wordt. Het is misschien gek om dat te zeggen in bijeenkomst met veel priesterstudenten. Maar ik meen het echt.

We moeten ervoor zorgen dat de nieuwe initiatieven die aan de basis ontstaan, zich ook aan de basis kunnen ontwikkelen. Dat we er niet te snel een klerikaal sausje overheen gooien. Want als we willen dat het geloof een breder draagvlak krijgt, een breder fundament aan de basis, dan moeten we de lekengelovigen ook de kans geven om hun verantwoordelijkheid te nemen. Als zich daar te snel een priester, diaken of iemand anders formeel namens de kerk mee gaat bemoeien, is het risico groot dat men achterover leunt en denkt: de Kerk regelt het zelf, wij hoeven niets meer te doen. Het gevolg is vaak dat de betrokkenheid afneemt, in plaats van groeit.

Ik zal daar een voorbeeld van geven. Een paar jaar geleden heb ik een reis gemaakt naar Manado in Indonesië. Dat is een christelijke enclave in het land met de meeste moslims ter wereld. Manado is overwegend christelijk met een stevige katholieke minderheid. Een zeer bloeiende katholieke kerk in de lente. Men heeft daar een overschot aan priesters. En bisdom met 150.000 gelovigen en 200 seminaristen. De kerk kerk is overal opgebouwd uit groepen katholieken, die s zondags naar de kerk gaan, maar ook door de week nog eens bij elkaar komen in een of ander huis om te biddden en zorg voor elkaar te dragen. De kerk van de Handelingen. Wat zie je dus gebeuren: priesters wordt gevraagd in de parochies, maar ook in de biddende lokale gemeenschappen leiding op zich nemen, terwijl de leken die nu zelf dragen. Dat is geen goede ontwikkeling, want daarmee neem je het gebedsinitiatief, dat van onderop komt, over. Na enkele decennia komen de mensen dan zelf er niet meer toe om te bidden.

Als we de jonge kerk voor ogen houden, dan zien we dat daar veel nieuwe gemeenschappen juist gesticht werden door gewone mensen, die zich vanuit een persoonlijke bezieling verenigden rond het evangelie. Soms werd een gemeenschap gesticht door een man als Paulus, maar hij trok na enige tijd wel verder en het waren de gewone gelovigen die de gemeenschap overeind hielden. Paulus hield via brieven contact. Maar ook niet met elke plaatselijke gemeenschap. Veel werd door de mensen ter plekke gedaan. Dan beklijft het ook beter.

Zo’n situatie als daar in Manado hebben we in Nederland ook gekend. Het zal in het noorden wel iets minder geweest zijn, maar in het zuiden – en zeker in dit bisdom – werd tot zo’n 40, 50 jaar geleden alles in de kerk geregeld via priesters.Kerkmeester was een erebaantje. Misschien waren er wat vrijwilligers die het kerkhof schoffelden. Maar de catechese, de communievoorbereiding, de huwelijkscursussen, zelfs de caritas, de gezondheidszorg en het onderwijs: alles werd geregeld door priesters of religieuzen. Wat we daarna hebben zien gebeuren, is dat op het moment dat de priester wegvalt of z’n aandacht over meer parochies moet verdelen, veel initiatieven stilvallen, omdat er niemand is die de kar kan trekken. Vrijwilligers vinden om klusjes rond de kerk te doen, is niet zo moeilijk. Maar wie is in staat om een gebedsgroep te leiden? Om iets aan catechese te doen? Dat is niet de schuld van de parochianen. Als kerkorganisatie zelf hebben we in het verleden zoveel dingen naar ons toe getrokken, dat niemand meer spontaan met ideeën kwam.

Het was hier in Limburg traditie dat buurtbewoners in het huis van een overledene bij elkaar kwamen om samen de rozenkrans te bidden. Op een gegeven moment hebben we dat naar het kerkgebouw verplaatst en was er een vooravondmis of een avondwake. Nu dat niet meer in elke parochie haalbaar is, komt niemand meer op het idee dat je als buren ook samen kunt bidden zonder dat er een officiële vertegenwoordiger van de parochie bij is. Dat is een traditie die weer opnieuw uitgevonden moet worden. Wanneer dat ergens spontaan gebeurt, laat het in godsnaam bestaan en groeien.

Nu weet ik wel dat een pleidooi voor meer initiatieven van leken ook een minder positieve kant kan hebben. Het kan leiden tot rare uitwassen. Dat wil ik natuurlijk niet. We zijn een sacramentele kerk en nieuwe experimenten moeten wel gericht zijn op het op gezette tijden ontvangen van de sacramenten. Klaar en duidelijk. Daar kan geen misverstand over bestaan. Maar dat wil zeker niet zeggen dat er geen ruimte zou zijn voor nieuwe vormen van – noem het maar – huiskerken, zoals die in de jonge kerk ook bestonden. Lekengelovigen hebben een eigen roeping en een eigen verantwoordelijkheid binnen de kerk. Vanaf het Tweede Vaticaans Concilie hebben diverse documenten dat steeds bevestigd en ondersteund. En als we willen dat evangelisatiepogingen wortel schieten, dan moeten we ze ook de kans geven om te groeien en niet ieder plantje dat net boven de grond uitsteekt weer omschoffelen. Natuurlijk zal er ook wel eens iets opschieten dat minder vruchtbaar is. Maar als het niet van de Geest komt, verdwijnt het ook vanzelf weer. Daar moeten we helemaal niet bang voor zijn.

Johannes Paulus spreekt in Novo Millennio Ineunte over “een authentieke lente van de Geest”. We moeten niet bang zijn om nieuwe scheuten aan de oude stam van de kerk te laten groeien. “Onderzoekt alles en behoud het goede,” schrijft Paulus in zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen. Voor de toekomstige evangelisatie zijn de Handelingen van de Apostelen een belangrijk onderdeel van onze ‘roadmap’. Andere belangrijke elementen voor onze routekaart vinden we in de apostolische brief Novo Millennio Ineunte. Ik heb ‘m al een paar keer geciteerd.

Waarom is die brief zo belangrijk? Omdat de vorige paus hierin een heel heldere opsomming geeft van de diverse terreinen waarop wij ons als Kerk de komende jaren moeten richten. Dan gaat het niet over de komende vijf of zes jaar, maar dan hebben we het over een periode van dertig, veertig jaar. De brief Novo Millennio Ineunte is gedateerd op 6 januari 2001. De euforie van het jubeljaar galmde nog een beetje na, maar de paus heeft toch al helder voor ogen dat de Kerk ook in het de derde millennium verder moet en dat dit niet vanzelf gaat. Daar moet voor gewerkt worden. Daar moeten concrete dingen voor worden gedaan. Hij maakt er een hele opsomming van. Ik zal ze niet allemaal behandelen, want dat kunnen jullie zelf nalezen.

Maar een paar belangrijke wil ik hier wel aanstippen, omdat ze ook van belang zijn voor de nieuwe evangelisatie. Op de eerste plaats is dat het gebedsleven. Ik ben mijn verhaal begonnen met het woord verlossing en het gevoel van veel moderne mensen dat ze nergens van verlost hoeven te worden. Dat gevoel is in zekere zin terecht. We hoeven ook niet meer verlost te worden. We zijn al verlost door Christus. Door Zijn Verrijzenis heeft Hij de dood overwonnen, heeft Hij laten zien dat het Goede sterker is dan het Kwaad. Hij heeft ook gezegd: “Ik ben bij jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.” (Mt. 28, 20) Dat schept voor ons de mogelijkheid om een intensieve persoonlijke relatie met God, met Christus aan te gaan. Dat contact – om het zo maar te noemen – onderhouden we via het gebed. Het persoonlijk gebed, stille gebeden, formulegebeden of gebedsgroepen. “Onze christelijke gemeenschappen moeten ‘authentieke scholen van gebed worden,” noemt Novo Millennio Ineunte dat. Precies wat de huiskerken in de jonge kerk ook waren. Daar is ook behoefte aan. Je merkt het aan de vele kaarsjes die overal opgestoken worden. Ook door mensen die verder heel randkerkelijk zijn. Op bepaalde momenten willen ze toch even dat kaarsje laten branden. Letterlijk licht opsteken in de duisternis van verdriet, onzekerheid, bezorgdheid of verwarring. Woorden om te bidden hebben ze vaak niet meer en zo’n kaarsje is dan hun vorm van gebed. Kleine gemeenschappen die samen bidden, kunnen helpen om die woorden weer terug te vinden of misschien nieuwe woorden te bedenken.

Ik heb ooit aan een bisschop uit Korea gevraagd: hoe kan de kerk in een totaal geseculariseerd land als het uwe zo bloeiend zijn en overleven? Zijn antwoord was: “Omdat we 200 jaar geen priesters hebben gehad. De gelovigen hebben geleerd om zélf te bidden, en zélf het geloof over te dragen op hun kinderen.” In het gebed heeft het geloof overleefd. Nieuwe evangelisatie kan dus niet zonder het gebed. Het hoogtepunt van het gebedsleven is natuurlijk de eucharistie. Maar ook het getijdengebed zou in parochies of kleine geloofsgemeenschappen veel meer aandacht kunnen krijgen, als een mogelijkheid om mensen via de schoonheid van het gebed in contact te brengen met eeuwenoude psalmteksten.

In het verlengde daarvan hebben we als katholieke kerk sinds Vaticanum II de Heilige Schrift als het ware herontdekt. Het is reuze spannend om samen met mensen de verhalen te lezen, te ontleden en te interpreteren. Daaruit kan een levendige vorm van catechese groeien, zowel voor jongeren als volwassenen.

Onze tijd is zeer visueel ingesteld. Dat lijkt nieuw, maar is in feite heel oud. De vele schilderingen en glas-in-loodramen met bijbeltaferelen in onze kerken, waren er niet alleen om de kerk te versieren. Ze waren ook bedoeld om de verhalen voor mensen te visualiseren. Veel van die kunst is er nog steeds en waarom zou je die niet gebruiken om de verhalen opnieuw tot leven te wekken?

Een ander belangrijk werkveld dat in Novo Millennio Ineunte genoemd wordt – en zeker een belangrijke halteplaats is op onze roadmap voor de nieuwe evangelisatie – is de gezinspastoraal. Wat van ons verwacht wordt, is dat wij aan ouders en grootouders heel basale handvaten aanreiken om het geloof over te dragen op hun kinderen of kleinkinderen. Ik heb soms het gevoel dat we het op het vlak van gezinspastoraal veel te ver zoeken en alle problemen die er met gebroken gezinnen en dergelijke leven, meteen willen oplossen. Als we nu een gewoon vooraan beginnen en ouders handreikingen geven hoe ze überhaupt met hun kinderen over het geloof kunnen praten, hoe ze kinderen een gebedje kunnen leren. Er is inmiddels een hele generatie ouders opgegroeid die dat misschien wel wil, maar niet meer kan, omdat ze woorden niet meer kennen. Die opnieuw aanreiken is óók evangeliseren. Gezinnen waar het geloof een vaste plaats heeft, zijn vervolgens de beste kweekvijver voor nieuwe roepingen.

Als laatste concrete aandachtspunt voor een nieuwe evangelisatie wil ik de liefde en dienstbaarheid noemen. Caritas was óók in de jonge kerk een van de belangrijkste pijlers onder de nieuwe geloofsgemeenschappen. In missielanden zijn geloofsoverdracht en concrete hulpverlening vaak niet eens van elkaar te scheiden. In onze tijd, waarin veel stille vormen van armoede bestaan, kunnen we het evangelie letterlijk handen en voeten geven door concrete hulp te verlenen. Dat hoeft niet alleen materieel van aard te zijn. Aandacht en een luisterend oor betekent voor mensen soms veel meer dan materiële ondersteuning. Eenzaamheid, wanhoop, verslavingen van allerlei soort, sociale discriminatie zijn ontwikkelingen die we nieuwe armoede zouden kunnen noemen. De juiste pastorale of caritatieve zorg kan hier laten zien hoe het evangelie in praktijk gebracht kan worden. Het zorgt er ook voor dat evangelisatie niet alleen tot woorden beperkt blijft, maar in daden kan worden omgezet.

Ik ga afronden. Nieuwe evangelisatie betekent voor mij opnieuw onder de aandacht brengen waar het in ons geloof ook al weer om te doen was: de verlossing door Christus. De Handelingen van de apostelen en de apostolische brief Novo Millennio Ineunte zijn wat mij betreft belangrijke elementen om de ‘roadmap’ van de Kerk voor de komende decennia te tekenen.

Eén aspect heb ik misschien nog te weinig genoemd: vertrouwen in de Heilige Geest. Op het eerste Pinksterfeest heeft Christus de Heilige Geest over de toen bestaande geloofsgemeenschap laten komen. Die Geest is steeds werkzaam onder ons. We mogen het vertrouwen hebben dat al onze inspanningen niet voor niets zijn, maar door de Geest gesteund, zelfs geleid worden.

Ik ben me ervan bewust dat het voor priesters in parochies op dit moment balanceren is. Balanceren tussen het begeleiden van de oude, vaak vermoeide kudde die steeds ouder en vermoeider wordt. En tegelijkertijd zoeken naar mogelijkheden om nieuwe enthousiasme te creëren. Soms zitten die twee elkaar ook in de weg. Maar een brug steunt op twee oevers, heet het tegenwoordig in de politiek. Het is een enorme krachttoer om in onze parochies beide oevers vast te houden: de oever met de oude, vertrouwde volkskerk en aan de andere kant de nieuwe oever met nieuwe mogelijkheden. Laat de brug ertussen niet instorten! Beide oevers dragen waardevolle elementen in zich. Als de Geest ons leidt, zal Hij ons ook mogelijkheden geven om de verbinding tussen beide oevers in stand te houden.

Daarom moeten we zeker niet wanhopen. Ja, onze Kerk kent veel problemen. En ja, we maken ons niet altijd even populair. Maar dat ontslaat ons niet van de plicht om de boodschap van verlossing te blijven uitdragen. In z’n vorm aangepast aan de tekenen van deze tijd, maar in de kern niet anders dan op de Allereerste Pinksterdag toen Petrus het woord nam en een vlammende toespraak hield. Toen hij klaar was, zeiden de mensen: “Wat moeten wij doen?” Het antwoord van Petrus luidde: “Bekeer u!” (Hand 2, 38). Dat wordt vaak uitgelegd als heel vroom en braaf. Maar het betekent niet meer dan: Keer om. Richt je leven op Christus. Dat is in feite wat wij in al ons evangelisatiewerk moeten doen: mensen oproepen om hun leven op Christus te enten. Soms moet je dat letterlijk zo benoemen. Soms moet je er helemaal niets over zeggen, maar het gewoon voorleven.

We hebben een prachtboodschap! We weten waar we naartoe willen. We hebben een ‘roadmap’ en we hebben de Heilige Geest als TomTom. We kunnen op weg! Dank voor jullie aandacht.

+ Frans Wiertz
bisschop van Roermond