Preek mgr. F. Wiertz tijdens Chrismamis 2012
 Sint-Christoffelkathedraal Roermond, woensdag 4 april 2012
1e lezing: Jes. 61, 1-3a. 6a. 8b-9;
2e lezing: Apok. 1,5-8
Evangelie: Lc. 4,16-21
“Jawel mijnheer, ik noem mij katholiek.” Dat was het antwoord dat de dichter Anton van Duinkerken gaf, toen hij in de jaren 30 door de NSB werd aangevallen op zijn katholiek-zijn. In plaats van zijn mond te houden of zijn geloof te verbergen, schreef Van Duinkerken zijn beroemd geworden gedicht ‘De ballade van de katholiek’. Daarin beroept hij zich op 20 eeuwen christendom. De Kerk is volgens hem geen eendagsvlieg, maar bouwt voort op een eeuwenlange traditie van navolging van Christus. Elke strofe van het gedicht eindigt met de zin: “Daarom mijnheer, noem ik mij katholiek”.
Tegenover het toen opkomend fascisme gaf Van Duinkerken een duidelijk statement dat getuigt van moed en zelfbewustzijn. Hij heeft daarmee veel mensen van zijn tijd geïnspireerd tot trouw aan de Kerk en tot een bewuster christelijk leven in de spanningen van de tijd.
Dit gedicht kwam mij onlangs weer eens onder ogen en zette me aan het denken. We kunnen niet ontkennen dat de Kerk en het geloof op dit moment onder spanning staan. De vraag is of wij in deze geseculariseerde tijd ook zelfbewust kunnen zeggen: “Jawel mijnheer, ik noem mij Katholiek”?
Ik kan mij voorstellen dat niet iedereen die woorden even overtuigd over zijn lippen krijgt. Want de Kerk waar Van Duinkerken zo trots op is, is een paradoxale werkelijkheid gebleken. Juist in de dagen van de grote bloei – bekend als het Rijke Roomse leven – bleek de Kerk haar zwarte kanten te hebben. Ongeveer twee jaar geleden werden we juist in deze dagen overspoeld met een golf aan berichten over seksueel misbruik. Situaties die zich de afgelopen 60 jaar binnen onze Kerk hebben voorgedaan, kwamen aan het licht.
De ontreddering bij de slachtoffers en in eigen kerkelijke gelederen was groot. Door het recente onderzoek van de commissie Deetman zijn de bange vermoedens bevestigd: broeders, fraters en priesters blijven mensen van vlees en bloed. Het rapport maakt duidelijk dat kloosterlingen en priesters afbreuk hebben gedaan aan hun kerkelijke taak. Ze hebben schande veroorzaakt door daden die het daglicht niet kunnen verdragen: misbruik van kinderen en jongeren. Jonge levens werden toevertrouwd aan mensen van de Kerk in de veronderstelling dat er geen veiligere plek was dan die… en werden misbruikt. Erger kan niet.
Ook al gaat het hier óók om een maatschappelijk verschijnsel. En ook al weten we dat de overgrote meerderheid van de broeders en priesters zich hun hele leven lang onbaatzuchtig heeft ingezet…. Het had niet mogen gebeuren. Voor mensen van de Kerk is er geen excuus. We kunnen de uitwerking van zo’n laffe daad op het jonge leven nauwelijks bevroeden. Er is intussen al vaak naar woorden gezocht, die moeten uitdrukken hoe zeer we dit betreuren. Elk woord is intussen hol geworden. Wéét in ieder geval dat ik mij als bisschop zeer betrokken voel bij de slachtoffers.
Vanavond wil ik ook het leed van de mensen rond de slachtoffers benoemen: de partners en de kinderen. Juist deze mensen in de directe kring rond de slachtoffers wil ik mijn meeleven doen toekomen.Heel vaak zijn zij het juist geweest, die de pijn hebben meegedragen. Zij hebben de wonden proberen te helen met hun liefde, hun trouw, met veel geduld en begrip. Mijn bewondering en erkentelijkheid voor deze, nog nauwelijks vermelde groep, is groot.
“Adel verplicht,” zegt het spreekwoord. Daarom mogen we niet wegkijken van degenen die slachtoffer zijn geworden. Slachtoffer van mensen, die door hun wijding of gelofte de Kerk op een bijzondere manier hadden moeten vertegenwoordigen. Was het niet Jezus zelf die zei “dat wie zich aan kinderen vergrijpt, niet beter verdient dan met een molensteen om de hals in de diepte van de zee te worden geworpen?” Ook al is het misbruik een halve eeuw geleden gebeurd, we ervaren het als een erfschuld, die haast niet meer goed te maken is. Maar we moeten die met ons meedragen en we moeten uitboeten wat aan deze kinderen is aangedaan.
En toch, broeder en zusters, beaam ik vanavond de woorden van Anton van Duinkerken en zeg ik hem na: “Jawel mijnheer, ik noem mij katholiek.” Want toont in een huwelijk de één zijn trouwe liefde voor de ander niet juist in moeilijke dagen? Hoe kan ik trouw vragen aan gehuwden – of aan ouders ten opzichte van hun kinderen en omgekeerd – wanneer ik als katholiek christen niet zelf mijn trouw betoon?Trouw aan die grote wereldwijde mensengemeenschap, die wij de Kerk van Jezus Christus noemen: Gods Volk, Lichaam van Christus, Tempel van de H. Geest? Juist nú, nú de geloofsgemeenschap het niet gemakkelijk heeft, mogen we die grote woorden in herinnering roepen.
De Kerk wordt vaak omschreven als een instituut. Maar daarmee doen we haar tekort. Een instituut is een organisatie, een anonieme macht. Door het doopsel en het vormsel zijn wij allemaal tot christen gezalfd en zo zijn we allemaal deel van Gods Kerk geworden. We zijn als ranken verbonden met de wijnstok Jezus Christus. We vormen samen het Godsvolk, dat het Lichaam van Christus hoort te zijn en dat herkenbaar moet zijn als die Tempel van de heilige Geest. Dat is en blijft onze roeping.
Juist op deze avond vóór Witte Donderdag voel ik ook elk jaar opnieuw de vreugde en de dank dat ik mij katholiek mag noemen, christen, gezalfde. Hier samen met u. De lezingen spreken van een groot vertrouwen van God in ons. Wij zijn als gelovigen gezalfd met Gods heilige Geest en daardoor met God verbonden.
Jezus leest in de synagoge in Nazareth de woorden van de profeet Jesia: “De Geest des Heren rust op mij; Hij heeft mij gezalfd om de armen de blijde boodschap te brengen.” Dan veert hij op en roept enthousiast uit: “Deze woorden zijn thans in vervulling gegaan.” Zo verstaat Jezus Zijn opdracht en met die opdracht stuurt Hij zijn apostelen uit. Als blijk van vertrouwen om die blijde boodschap uit te dragen, verleent God ons allemaal een bijzondere waardigheid: Hij noemt ons ‘Priesters en Dienaars des Heren’.
Wij allen – bisschoppen, priesters, diakens en christengelovige leken – wij zijn samen het priesterlijk Volk Gods. In vieren, leren en dienen brengen wij lof aan onze Heer en bouwen wij aan Zijn Koninkrijk in ons midden. Ik wil u allemaal als mijn broeders en zusters in Christus danken voor uw inzet als christengelovigen, om de Kerk mee te dragen in uw eigen parochie of in het samenwerkingsverband.
Dat is al 20 eeuwen de roeping van de Kerk. We kunnen ons afvragen of deze opdracht, menselijk gezien, niet te hoog gegrepen is? Kan goddelijke heiligheid wel doorgegeven worden door mensen van vlees en bloed, met hun onvolmaaktheid en zondigheid? Kan een mensengemeenschap naar behoren – en zonder zelf te falen – de goddelijke opdracht vervullen om het levenswerk van Jezus voort te zetten?
Deze roeping is inderdaad te hoog voor mensen en zal altijd aanleiding geven tot ergernis. Niets menselijks is de Kerk vreemd. Maar dat mag geen excuus zijn. We moeten steeds waakzaam zijn en het moet ons pijn doen dat er een kloof is tussen heiligheid en zondigheid, tussen oprechtheid en gehuichel. Het mag ons bescheiden maken. We mogen ons ervan bewust zijn dat wij ook als Kerk voortdurend Gods vergeving en barmhartigheid nodig hebben. Maar we mogen ook vertrouwen, want wij zijn Gods Kerk, Gods Volk. We zijn niet louter mensengemeenschap. God trekt met ons mee. Heeft Jezus bij zijn afscheid niet gezegd: “Ziet ik ben met u alle dagen tot aan het einde van de wereld?”
Dat de Kerk die 20 eeuwen heeft getrotseerd, is geen kwestie van goede organisatie of deskundig management. “De overgrote kracht komt van God en niet van ons,” zegt de apostel Paulus. En wij mogen hem dat nazeggen. Toch is het van belang dat we als Kerk altijd de pijn en de schaamte blijven voelen van onze eigen zondigheid en de noodzaak tot bekering.
“Jawel, mijnheer, ik noem mij katholiek.” Terwijl ik deze woorden uitspreek, realiseer ik me ook hoe het misbruik een aantal mensen ertoe heeft gebracht om hun lidmaatschap van de Kerk op te zeggen. Hún antwoord luidt: “Neen, mijnheer, ik noem mij niet meer katholiek.” U mag van mij weten dat elke afmeldingsbrief die ik ontvang pijn doet. Ik sluit me niet aan bij degenen die doen alsof deze mensen al eerder uit de kerk gestapt zijn. Alsof hun afmelding alleen de formalisering van hun al eerder genomen besluit is. Elke uittreding doet me pijn, want een mens verlaat de gemeenschap die Jezus zelf gesticht heeft en kiest ervoor om los van Hem op eigen koers door het leven te gaan. Het doet pijn en eerlijkheidshalve moet ik me de vraag stellen: “Heb ik – hebben wij allen samen – er misschien ook aanleiding toe gegeven?” Of: “Hoe had het kunnen worden voorkomen?” En vervolgens: “Hoe zijn deze geliefde christenmensen weer terug te brengen rond onze Heer?“
“Jezus zag de menigte en Hij voelde medelijden,” lezen we in het evangelie. Als bisschop mag ik deze mensen niet loslaten uit mijn gebed, mijn offer en mijn naastenliefde. Graag wil ik, als het even kan, contacten herstellen en verzoening bewerken.
Ondanks alle fouten wil ik vanavond met het credo van Anton van Duinkerken toch mijn liefde tot deze menselijke Kerk verwoorden. Als bisschop mag ik deze Kerk dienen. In verbondenheid met paus Benedictus, met mijn confraters in het bisschoppelijke en het priesterlijke ambt en met u allen als christengelovige leken, die zeker in de laatste twee moeilijke jaren uw trouw aan onze Kerk meer dan bewezen hebt.
Ik ben mij zeer bewust van het falen van de Kerk, van haar zondigheid en ook van mijn eigen zondigheid, waarvoor ik in alle nederigheid vergeving vraag. Maar ik voel mij ook staan in die 20 eeuwen christendom waarop Van Duinkerken zo trots is. Waarin we heiligen kennen, die het evangelie wél waardig gerepresenteerd hebben. Ik voel me één met zoveel gewone mensen die in het dagelijks leven het geloof waardig beleven en belijden. Ik voel mij staan op het evangelie en het geloof, hier gebracht door grote geloofsverkondigers als St. Servaas en St. Willibrord.
Jezus heeft de Kerk gesticht en heeft haar de opdracht gegeven om Zijn werk voort te zetten. Jezus vertrouwde deze Kerk toe aan Petrus en zijn opvolgers. Dat is bijzonder, want Jezus kende Petrus en diens wankelmoedigheid. Bij Petrus waren vraagtekens te plaatsen. Zijn verloochening was geen verrassing voor Jezus. Hij had die zelfs voorspeld. Een breuk tussen Jezus en Petrus was heel verklaarbaar geweest. Maar die breuk kwam er niet.
De Paasverhalen vertellen ons over die bijzondere ontmoeting tussen Jezus en Petrus na de verrijzenis. Jezus vraagt hem tot drie keer toe: “Simon, zoon van Jona, heb je mij lief?” En Petrus antwoordt drie keer: “Ja Heer, U weet dat ik U bemin.” Waarna Jezus tot verbazing van Petrus zelf zegt: “Wijd mijn lammeren, hoed mijn schapen.”
Wie we ook mogen zijn, bisschop, priester, diaken of gelovige leek: in de wankelmoedige Petrus herkennen wij ons als katholieke kerk van deze tijd. Maar ook voor ons is er de troost dat Jezus – zoals met Petrus –met ons verder gaat en ons die bijzondere roeping toevertrouwt. Hoewel Hij goed weet van onze zondigheid en onze verloocheningen, stelt Jezus aan ieder van ons de vraag: “Heb je mij lief?” Het is geen strenge vraag, maar juist een vertrouwenwekkende. Want ook voor ons geldt Zijn antwoord: “Wijd mijn lammeren, hoed mij schapen. Aan jullie mensen van 2012 en aan de komende generaties vertrouw ik mijn Kerk toe. Met jullie ga ik verder de toekomst in.”
Dit onverdiende vertrouwen schenkt de Heer ons. Hij schenkt het mij en Hij schenkt het u. Daarom belijd ik: “Ja, Heer, U heb ik lief en daarom noem ik mij katholiek. Naar Wie zouden wij anders gaan? Ik heb U lief, want Gij zijt de Christus, de Gezalfde, de Zoon van de levende God.” Amen.
+ Frans Wiertz
bisschop van Roermond
|