Preek bisschop Frans Wiertz
bij gelegenheid van de zaligverklaring van zuster Hendrina Stenmanns
in openluchttheater De Doolhof te Tegelen
(zondag 29 juni 2008)
Lezingen:
2 Tim. 4,6-8.17-18
Mt. 16, 13-19
De zaligverklaring van zuster Hendrina Stenmanns, moeder Josefa voor velen van u, vindt plaats tijdens de liturgie van het hoogfeest van de apostelen Petrus en Paulus. Dit hoogfeest verbindt ons vandaag bovendien met heel de wereldkerk. Allereerst vieren wij onze verbondenheid met de opvolger op de Stoel van Petrus: Onze heilige Vader Paus Benedictus XVI, die aan deze zaligverklaring zijn goedkeuring heeft gegeven. Om zijn verbondenheid te tonen en in onze feestvreugde te delen laat de heilige Vader zich vandaag vertegenwoordigen door Zijne Eminentie José Kardinaal Saraiva Martins, prefect van de Vaticaanse congregatie voor de Zalig- en Heiligverklaringen.
Op deze feestdag herdenken wij, hoe de beide apostelen de Heer Jezus gevolgd zijn in zijn lijden en dood door de marteldood te sterven. Het is de bekroning van hun getuigenis voor de Heer. Daarom hebben vanaf de eerste eeuwen de christenen pelgrimages gehouden naar hun graven in grote dankbaarheid en verering.
Maar wie waren deze twee apostelen? Zelden is het verschil tussen twee mensen die meestal in één adem genoemd worden, groter geweest.
Petrus, ook Simon genoemd, was een gewone visser. Hij woonde te Kafarnaum aan het meer van Galilea. Samen met zijn broer Andreas werd hij door de Heer weggeroepen achter de netten vandaan om Hem te volgen en één van geest en één van hart met Hem te worden. Petrus kent als visser het meer met zijn grilligheden. Hij is geen geleerde, eerder een natuurmens. Maar toch is hij de eerst geroepene onder de apostelen. Aan de oever van dat meer verneemt hij verder na afloop van de wonderbare visvangst, welke zijn taak zal zijn: “Voortaan zult ge mensen vangen.” “Petrus, het zal uw taak zijn mensen samen te brengen in het grote visnet van de kerk.”
Meestal treedt Petrus op als woordvoerder namens de andere apostelen. Vandaag hebben wij in het evangelie het mooie getuigenis mogen vernemen op de vraag van Jezus: “Wie zeggen de mensen, dat ik ben?” Petrus getuigt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Dit getuigenis wordt door Jezus met de opdracht bevestigd: “Zalig zijt Gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is. Op mijn beurt zeg ik u: Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.”
Maar is deze Petrus zo’n indrukwekkende persoonlijkheid? Wie zich verdiept in zijn levenspatroon, moet vaststellen, dat hij zich wel eens overschat. Het zijn soms grote woorden die hij uitspreekt: “Al zou iedereen U verlaten, ik zeker niet!!” Maar bij de gevangenname van Jezus neemt ook Petrus de vlucht. Op de vraag van de bedienden: “Behoor jij ook niet bij deze Jezus van Nazareth, klinkt zijn angstig verweer: “Ik ken deze man niet.” En onmiddellijk kraaide er een haan.
Aan deze wankelmoedige Petrus blijft Jezus van zijn kant echter trouw. Jezus gaat zelfs weer verder met hem, ondanks alles wat er gebeurd is. Wij lezen in het Johannesevangelie van de ontmoeting van Jezus en Petrus na Pasen aan de oever van het meer. Er klinkt dan geen verwijt uit Jezus mond, maar drie keer de vraag: “Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij meer lief dan dezen mij liefhebben?” “Ja, Heer, Gij weet, dat ik U bemin.” Jezus weer tot drie keer toe: “Weidt mijn lammeren, hoedt mijn schapen.” Jezus gaat in zee met deze wankelmoedige mens. Zo wordt in zwakheid de genade volkomen.
Ook in Paulus, de andere heilige van vandaag, wordt diezelfde genade duidelijk zichtbaar, ofschoon Paulus een geheel ander mens als Petrus is geweest.
Paulus, oorspronkelijk Saulus geheten, is in tegenstelling tot Petrus een geletterde man, die door de geleerde Gamaliël was opgevoed in de strenge opvattingen van de joodse wet en vertrouwd gemaakt was met de joodse school der farizeeën. Wij weten, hoe hij in de jonge christengemeente van Jeruzalem de Kerk vervolgde en hoe hij instemde met de moord op diaken Stephanus. Hij achtervolgde de eerste christenen. Maar voor de poorten van Damascus wordt hij uit het zadel geworpen en ziet hij een fel licht en een stem zegt hem: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Ik ben Jezus van Nazareth, die gij vervolgt.” Deze weerbarstige Saulus wordt daarna de gedreven apostel Paulus, die het uitverkoren werktuig zal zijn om Jezus’ naam uit te dragen onder heidenen en koningen en onder de zonen van Israel.
De Handelingen van de apostelen vertellen ons van de vele missiereizen die Paulus ondernam rond het middellandse zeegebied. Er was bij Hem sprake van een heilig moeten: “Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig.” In de tweede brief aan de Corinthiërs zegt hij: “Wij verkondigen niet onszelf, maar Christus Jezus. Onszelf beschouwen wij slechts als dienaars om Jezus’ wil. Duidelijk blijkt, dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons.” Paulus heeft dit ene voor ogen: “De genade moet zich in velen vermenigvuldigen, zodat steeds meer mensen dank brengen aan God, tot eer van zijn naam.” Dankbaar schrijft hij aan het einde van zijn leven aan zijn vriend en leerling Timoteus: “De Heer heeft mij terzijde gestaan en mij kracht gegeven om mijn ambt als prediker van het evangelie ten einde toe te vervullen.”
Het is een mooie samenloop van omstandigheden, dat op deze dag ook de Zaligverklaring plaats vindt van Hendrina Stenmanns, die als moeder Josefa de medestichteres genoemd mag worden van de Missiecongregatie “Dienaressen van de Heilige Geest”. In 1995 werd haar medezuster Helena Stollenwerk reeds zalig verklaard. Zij zijn degenen die zich bij de heilige Arnold Janssen hebben aangesloten om zijn initiatief van een vormingshuis voor missionarissen te steunen.
Arnold Janssen kende dezelfde gedrevenheid die ook de apostel Paulus eigen was: “Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig.” Arnold voegde eraan toe: “Dat de Heilige Drieëne God mag leven in onze harten en in de harten van alle mensen.” Dat betekent, dat Arnold zich ten diepste gekend en bemind wist in God, die Liefde is en die de mensheid in deze liefde wil laten delen. Het is dezelfde gedachte die Paulus verwoordde, toen hij zei: “De genade moet zich in velen vermenigvuldigen, zodat steeds meer mensen dank brengen aan God, tot eer van zijn naam.”
Om dit initiatief van een vormingshuis voor missionarissen te verwezenlijken moest pater Arnold uitwijken vanwege de Duitse Kulturkampf naar Nederland. Hij vestigde zich op Steyl. Tot degenen die hem steunden bij dit missionaire initiatief hoorden ook Zr.Maria Helena Stollenwerk en Zr.Josefa Hendrina Stenmanns. Meegekomen voor de huishoudelijke taken, groeide in hun harten de roeping om zelf ook missiezuster te worden en deel te nemen aan dat streven van Arnold Janssen.
Hendrina Stenmanns werd geboren op 28 mei 1852 als oudste van zeven kinderen. Vanuit haar geloof ontwikkelde zij in het grote gezin een open hart voor armen, zieken en noodlijdenden in haar directe omgeving. Maar ook ontstond in haar hart het verlangen om deze liefde en aandacht aan de kerk ter beschikking te stellen door Arnold Janssen ter zijde te staan bij de stichting van de missiecongregatie “Dienaressen van de Heilige Geest”. In 1898 werd zij overste en droeg haar bezieling over op vele jonge zusters. Eind 1902 werd zij ziek en overleed op 20 mei 1903, bijna 51 jaar oud.
Een eenvoudige vrouw wordt zalig verklaard. Bij een zalig- of heiligverklaring is na een gedegen onderzoek komen vast te staan, dat de genade Gods op een herkenbare wijze vlees en bloed geworden is in het leven van deze mens, zoals dat ook in de levens van de grote apostelen Petrus en Paulus is gebeurd. Ook aan Hendrina Stenmanns heeft Christus de vraag voorgelegd: “Wie zeggen de mensen, dat ik ben?” Hendrina is niet gaan raden wat zoal het antwoord zou kunnen zijn, maar zij heeft deze vraag verstaan als een opdracht: “Ga aan de mensen vertellen wie ik ben.”
Gedreven door dezelfde onrust van de apostel Paulus “Wee mij, als ik Christus niet verkondig,” heeft zij de daad bij het woord gevoegd. Zij heeft Jezus natuurlijk met woorden als de Christus verkondigd, maar meer nog met daden. Meer nog: zij heeft getuigd met heel haar persoonlijkheid, die doorgloeid was van het vuur van de heilige Geest zoals eens de apostelen op Pinksteren overkwam. In haar kwam de genade zodanig tot leven, dat door haar heen Christus straalde. Zoals Jezus de uitleg is van de hemelse Vader, zo laten de zaligen en de heiligen vanuit hun intense verbondenheid met de Heer het gelaat van Christus weer stralen in deze wereld.
Moeder Jozefa zal geweten hebben, dat de genade onverdiend was, omdat zij als mens de genade ook wel eens in de weg heeft gestaan, zoals Petrus in zijn verloochening. En zij zal geweten hebben, dat de haar geschonken genade om niet alleen geroepen te zijn, maar ook om geroepen te blijven, onverdiend was. Zo kon Gods genade ook in haar zwakheid volkomen worden.
Hendrina heeft met Paulus dit ene voor ogen: “De genade moet zich in velen vermenigvuldigen, zodat steeds meer mensen dank brengen aan God, tot eer van zijn naam.” Deze opdracht bevat een blijvende actualiteit, waarvan wij nooit ontslagen zijn. Op een bijzondere wijze heeft Hendrina zich deze taak eigen gemaakt. En de Kerk heeft niets anders te doen, dan de genade een kans te geven, opdat de mensen Gods genade wkunnen ervaren.
Als er een christenmens zalig verklaard wordt, dan richt de kerk daarmee geen standbeeld op, maar zij belijdt, dat deze christenmens, die op zo’n bijzondere wijze geleefd heeft vanuit Jezus en zich zo bijzonder heeft opengesteld voor zijn heilige Geest, deel heeft aan zijn verrijzenis. Wij eren geen dode, maar een christenmens die met Jezus het eeuwige leven is binnengegaan en nu met de Drieëne God mag zijn tot in alle eeuwigheid.
Haar leven staat ons voor ogen, want in de zalige Hendrina, die zich omwille van het Rijk der hemelen geheel aan Christus heeft toegewijd, verheerlijken wij Gods voorzienigheid. Door haar levensvoorbeeld roept God de mensheid terug tot de heiligheid, die zij eens van Hem ontvangen had.
In haar levenswandel geeft God ons een voorbeeld. Met haar verbonden krijgen ook wij deel aan de gemeenschap van de heiligen. Haar voorspraak en haar toewijding waarborgen ons alle hulp. Daarom eren wij haar. Wij roepen wij haar aan en wij weten: zij bidt met ons mee.
Zalige Hendrina, zalige moeder Jozefa, bid voor ons. Bid voor allen die zich hebben aangesloten bij het levenswerk van de heilige Arnold Janssen. Wees ook onze voorspreekster en beveel de gebeden van ons bisdom aan bij de hemelse Vader.
Zalige Hendrina, bid voor ons.
+ Frans Wiertz
bisschop van Roermond