Zondag 15 maart 2026 – 4e Zondag van de 40-dagentijd | Zondag Laetare

Geplaatst op: 12-03-2026
Alt Text

1e lezing: 1Sam.16,1b.6-7.10-13a
Tussenzang: ps.23,1-6  
2e lezing: Ef.5,8-14   
Evangelie: Joh.9,1-41 of:1.6-9.13-17.34-38  

 

De ogen openen

“God ziet niet zoals een mens ziet.” Hoe ziet een mens? Een mens kijkt naar het uiterlijk. Bovendien is ons innerlijk oog sinds de zondeval vertroebeld. Sterker nog, de apostel Paulus verzekert ons vandaag dat wij eertijds, voor onze bekering, zelf in duisternis ronddwaalden. Wij mogen nu het volk zijn van wie de profeet reeds zei: “Het volk dat ronddwaalde in de duisternis, ziet een groot licht.”

Dat licht is ons geschonken op de dag van ons Doopsel. Wij dienen dan ook niet langer deel te nemen aan duistere en onvruchtbare praktijken. En daarom worden wij op deze zondag van halfvasten uitgenodigd om op te staan uit de slaap, opdat Christus’ licht over ons kan stralen. En het is de eerste lezing die ons op weg helpt. Volgen wij de profeet Samuël op weg naar Isaï. Het eerste wat wij van deze profeet mogen overnemen, is zijn gehoorzaamheid in volgzaamheid. En dat is ook wel nodig. Want als het erop aan komt kijkt ook de profeet bij zijn opdracht toch vooral met zijn eigen ogen en ziet hij niet wat God ziet.

Hetzelfde fenomeen vinden wij terug in het evangelie. De Farizeeën, vol van de wet, zijn als het ware blind geworden voor de geest van Gods wet. “De mens is er niet voor de wet maar de wet ten bate van de mens”, zal Jezus vertwijfeld uitroepen. De leerlingen die Jezus volgen en proberen in zijn geest te leven, komen niet veel verder. Ook zij trekken, gevormd door het onderricht van de wet, een kortzichtige conclusie: “Wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blindgeboren werd.”

God beloont het goede en straft het kwade. Het psalterium begint niet voor niets met het bezingen van de rechtvaardige en dat het leven van de zondaar een doodlopend spoor is. Wat de leerlingen echter voor hebben op de Farizeeën is dat zij met hun vragen naar Jezus gaan. Het antwoord van de Heer is echter niet zo eenvoudig: “Gods werken moeten in hem openbaar worden.” En dit brengt ons terug naar de eerste lezing. Samuël probeert als trouwe gezant zijn opdracht uit te voeren. Hij laat zich daarbij gelukkig niet alleen leiden door menselijke overwegingen; de Heer die hem gezonden heeft, krijgt in het leven van Samuël ondanks zijn zwakheid genoeg ruimte, opdat in de uitverkoren jongste zoon van Isaï Gods werken toch openbaar kunnen worden.

Het evangelie begint ons het leven te schilderen van een man die blind was van zijn geboorte af. Deze mens had dus totaal geen weet van wat ‘ziende zijn’ betekent. Misschien kon hij zelfs niet het licht van de dag van het duister van de nacht onderscheiden. Zijn leven bevond zich letterlijk in de duisternis. Hij was in alles van anderen afhankelijk. Hij zal waarschijnlijk, zoals Bartimeüs, gebedeld hebben. En de meeste mensen zullen hem niet hebben zien zitten. Hij was louter een sta in de weg. Het evangelie begint echter niet zomaar een verhaal over een blinde, er staat daar: “In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was.” Zelfs in het voorbijgaan ziet Jezus deze man in nood. En zijn oordeel is in tegenstelling tot dat van hen die hem omringen niet kortzichtig. Integendeel.

In Jezus is Gods alziend en barmhartig oog onder ons mensen verschenen. En dat goddelijk zien vormt het kernstuk van deze zondag. Wij zijn in de Veertigdagentijd, waarin wij uitgenodigd worden om ons telkens opnieuw te ontdoen van duistere praktijken. Hoe klein of onnozel ze ook mogen lijken. Het hart van de Farizeeën is verstokt. Zij zijn ziende blind. Hadden zij het aangedurfd om in Gods ogen blind te zijn en zijn hulp in te roepen, dan had Jezus hen op die dag doen opstaan uit hun slaap. Maar zij blijven erbij dat zij zien en daarom blijft hun zonde.

Sluiten wij ons bij Samuël en de apostelen aan. Volgen wij Jezus. Dat wij vreugde mogen beleven, allereerst aan het feite dat die blindgeborene genezen wordt van zijn blindheid. Maar dat is niet het kernstuk van de Blijde Boodschap van vandaag. In heel het gebeuren rond de blindgeborene hebben de praktijken van de duisternis nog altijd hun invloed. Wij zien het aan de ouders van de blindgeborene. Uit angst buitengesloten te worden laten zij hem aan zijn lot over. En ongelijk hadden zij niet. Het eind van het liedje is dat hun zoon als gevolg van zijn openheid voor Jezus uit de synagoge gebannen wordt.

De genezen blinde laat zich echter niet uit het veld slaan en vernieuwt zijn contact met Jezus wanneer deze hem voor de tweede keer gezien, en laten wij maar zeggen teruggevonden, heeft. Nu is de Heer daar aangekomen waarheen Hij met deze arme stakker wilde gaan: “Gelooft ge in de Mensenzoon.” En dan zien wij opnieuw de openheid die wij ook bij de profeet Samuël aantroffen: “Wie is dat Heer? Dan zal ik in Hem geloven.”

Dan antwoordt Jezus letterlijk: “Gij hebt Hem gezien.” Voltooid verleden tijd. Mogen wij daaruit concluderen, dat het zien van Jezus reeds begon in zijn eerste ontmoeting? De lichamelijke genezing zette zich door in zijn openheid voor het geheim. In feite werd hij eerst ziende in het hart, dat zich naar buiten toe uitte in het zien met de ogen. En dat laatste zag alleen de menigte, waaronder de Farizeeën met alle gevolgen van dien. Zeggen wij volmondig: wij zijn blind, maak ons ziende! Dan zullen, in navolging van Samuël en de blindgeborene, ook in ons doen en laten Gods werken openbaar gemaakt worden.

Tekst: Bezinning op het Woord, inleidende teksten bij de dagelijkse liturgie