Zondag 22 maart 2026 – 5e Zondag van de 40-dagentijd
1e lezing: Ez.37,12-14
Tussenzang: ps.130,1-8
2e lezing: Rom.8,8-11
Evangelie: Joh.11,1-45 of:11,3-7.17.20-27.33b-45
Geen dorre beenderen
Ezechiël spreekt vandaag ook over die leven-gevende Geest. En de nadruk ligt daarbij niet op de verrijzenis van de doden uit hun graven. Voorafgaand aan de lezing van vandaag staan daar in hetzelfde 37e hoofdstuk de volgende veelzeggende woorden. Het gaat daar over de dorre beenderen die weer tot leven komen: “Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Bij hen leeft de gedachte: Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervolgen, het is met ons gedaan.”
Deze gedachte is dodelijk. En de apostel Paulus komt daarop terug in zijn verkondiging van de verrezen Heer: “Zij die zelfzuchtig leven, kunnen God niet behagen.” Op een andere plek zegt hij waar die wrange vrucht van de zelfzucht vandaan komt: “Indien Christus niet verrezen is, zijn wij de meest beklagenswaardige mensen op de wereld, laten wij dan maar eten en drinken want mogen gaan wij dood.”
In het evangelie treffen wij eenzelfde fatalistische houding aan en wel bij een van de apostelen. Op de mededeling van Jezus dat Hij opnieuw naar het Hem vijandig gezinde Judea wil gaan, roept Thomas uit: “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.” Dat deze woorden niets van doen hadden met het ‘uur’ waarop Jezus zijn leven voor ons zou geven, is duidelijk. Want toen dat ‘uur’ gekomen was, waren Thomas en zijn metgezellen in geen velden of wegen te bekennen.
Paulus roept ons vandaag op om ons leven niet te laten beheersen door zelfgenoegzaamheid maar door de Geest, omdat de Geest van God in ons woont. En ook al spreekt hier de apostel in navolging van Ezechiël over het opstaan uit de dood van ons sterfelijk lichaam, in feite is de openheid voor de werking van Gods Geest in het hier en nu bepalend voor wat er na onze dood zal geschieden.
Bij gelegenheid van een Doopsel hield een priester de ouders van de dopeling altijd het volgende voor: het eeuwig leven van uw kind begint niet bij de dood met een D maar bij de doop met een P. Martha, Maria en niet te vergeten Lazarus leggen getuigenis af over wat dat betekent. Jezus blijft bewust nog twee dagen weg alvorens op weg te gaan naar het huis van de zieke Lazarus. En als reactie daarop wordt door de menigte gefluisterd: “Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet maken dat deze niet stierf.”
Deze conclusie laat zien dat deze mensen nog altijd ziende blind zijn. In feite gebeurt hier wat ook na de broodvermenigvuldiging gebeurde. Het eigenlijke geheim kan geen wortelschieten. Als het erop aankomt denken de meesten: “Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan.” Laten wij de dag plukken met al haar geneugten en moge Jezus daarbij de arts zijn die ons dat mogelijk maakt. Hoe anders is de reactie van Martha. Natuurlijk, ook zij is een realist en staat met beide benen op de grond: “Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.” En waarschijnlijk had zij daarin gelijk. Jezus ‘uur’ was echter nog niet gekomen: “Lazarus is gestorven, en omwille van u verheug Ik Mij dat Ik er niet was, opdat ge moogt geloven.”
Welnu, Martha leeft vanuit haar geloof aan Jezus. Daarom ging zij Hem ondanks alle verdriet tegemoet. Haar hoop was niet vervolgen: “Maar zelfs nu weet ik dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.” En mocht op de bruiloft te Kana het al een hele geloofssprong geweest zijn om zes kruiken te vullen met water, Jezus zegt nu: “Wie in Mij gelooft, zal leven en in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?” En dan komt haar volwassen geloofsbelijdenis eruit: “Ja Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.” En deze geloofsbelijdenis kan alleen de vrucht zijn van de Geest: “Hieraan onderkent gij de Geest van God: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk mens geworden is, is van God.”
In Maria zien wij hetzelfde gebeuren. Zij belijdt Jezus niet met woorden maar de liefdevolle zalving waarover Jezus getuigt: “Zij heeft dit gebruik onderhouden vooruitlopend op mijn begrafenis.” In feite gaat het daarbij om Jezus’ verlossende dood, omdat Hij de Messias is, de Zoon Gods die daartoe in de wereld kwam. Tenslotte mag Lazarus het instrument zijn waardoor Jezus openbaart dat wie in Hem gelooft eeuwig leven zal hebben.
Natuurlijk, Lazarus is na zijn opstanding opnieuw gestorven. Hij was echter samen met zijn twee zussen een vriend van de Heer geworden en wel uit kracht van de Geest die over Jezus vaardig was. “Maakt hem los en laat hem gaan.” Dat ook wij ons openen voor Jezus’ krachten om de zwachtels die ons binden los te maken, omdat wij ons misschien als de dorre beenderen bij Jesaja voelen. Dan zal de Geest die wij bij het Doopsel ontvangen hebben ons nu doen opstaan om getuigenis te geven. En om na onze dood ons sterfelijk lichaam eens levend maken in Christus.
Tekst: Bezinning op het Woord, inleidende teksten bij de dagelijkse liturgie

