Zondag 15 februari 2026 – 6e Zondag door het jaar
1e lezing: Sir.15,15-20
Tussenzang: ps.119,1-2.4-5.17-18.33-34
2e lezing: 1 Kor.2,6-10
Evangelie: Mt.5,17 37 of 20 22a,27 28.33 34a.37
Niet de kantjes ervan aflopen
Meer dan eens heeft Jezus het in zijn prediking over de geboden, die ieder rechtgeaarde Jood niet alleen geacht wordt te kennen, maar waaraan hij/zij zich ook dient te houden. Bij die geboden denken wij al gauw aan de Tien geboden, maar in de loop der tijden werden die steeds vaker gepreciseerd, zodat er uiteindelijk een corpus van 613 geboden en verboden ontstond, een geheel van 248 géboden en 365 vérboden.
Deze 613 voorschriften die de Joodse traditie ons heeft overgeleverd, worden ook wel ‘mitswot’ genoemd en vormen de kern van de Joodse Wet (Thora). Geen wonder dat men soms door de bomen het bos niet meer zag. Wat dat betreft zal het voor menigeen wel een verademing zijn geweest dat Jezus ze durfde samenvatten in het dubbelgebod van de liefde: de liefde tot God en de naaste.
Daarmee wilde Hij de rest niet afschaffen, maar tot vervulling brengen, zoals we Hem vandaag ook in het evangelie horen zeggen. “Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en profeten op te heffen, maar om de vervulling te brengen.” Het is immers de liefde die ons uitnodigt verder te gaan, meer te doen dan wat de wet ons (als verplichtend minimum) voorschrijft. Dat blijkt ook uit het vervolg, als Jezus ons uitnodigt om de gerechtigheid van Schriftgeleerden en Farizeeën te overtreffen, niet zomaar te overtreffen, maar zelfs ver te overtreffen.
Niet dat het niet goed was wat ze deden. Er waren er ook die meer deden dan was voorgeschreven. Denken we maar eens aan het verhaal dat Jezus vertelde, toen het ging over het gebed, over de Farizeeër die zelfs twéémaal per week vastte en tienden gaf van ál zijn inkomsten (Luc.18,9-14). Er waren er echter ook die kantjes ervan af liepen en volgens Jezus bundels van zware, haast ondraaglijke lasten maakten en die de mensen op de schouders legden, zonder er zelf ook maar een vinger naar uit te steken (Mt.23,4).
Dat mag voor ons echter geen reden zijn te denken dat de geboden daarmee hun geldingskracht verloren hebben. Integendeel: “Doet en onderhoudt daarom alles wat Schriftgeleerden en Farizeeën u zeggen”, aldus Jezus, “maar handelt niet naar hun werken” (Mt.23,3). In plaats van slaafse en angstvallige wetsvervulling vraagt Jezus echter om een liefdevolle wetsvervulling: dat we ons realiseren dat het een liefdedienst is die van ons gevraagd wordt, als dat het welzijn van de naaste en de eer van God ten goede komt.
En dat mag ons best wat waard zijn, in ieder geval meer dan menigeen misschien denkt. Want dat is toch wat ware liefde doet: liefde stelt zich niet met een minimum tevreden maar probeert altijd het maximale eruit te halen, zeker als het anderen ten goede komt.
Verder durven gaan, verder durven kijken dan het gebruikelijke, dat zien we ook in de voorbeelden die Jezus aanhaalt. Iemand metterdaad doden is al ernstig, maar is iemand het licht niet in de ogen gunnen dan minder ernstig? Daadwerkelijk overspel plegen is al ernstig, maar begint zoiets al niet veel eerder, in ons hart, met een verkeerde blik, met verkeerde gedachten? Waar het hart vol van is daar loopt de mond van over, zegt het bekende (Bijbelse) spreekwoord.
Als er in ons hart geen, of te weinig liefde is, dan helpen geboden en voorschriften ons ook niet echt verder. Dan bewaren ze ons en onze wereld misschien voor veel onheil. Jezus is het echter om meer, veel meer te doen: uiteindelijk om “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont” (2 Petr.3,13), om niets minder dan de liefde die de gehele wet vervult (Rom.13,10).
Tekst: Bezinning op het Woord, inleidende teksten bij de dagelijkse liturgie

